De grootste puriteinen uit de Middeleeuwen.
Bart Rosseels
Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis.
Academiejaar: 2003-2004
Katholieke Universiteit Leuven
Promotor: Prof. Dr. J Goossens
- Inleiding
- Hoofdstuk I: De christelijk-dualistische traditie
- Hoofdstuk II: Oorsprong van het bogomilisme
- Hoofdstuk III: Bogomilisme in het Byzantijnse Rijk
- Hoofdstuk IV: Bogomilen tijdens het Tweede Bulgaarse Rijk
- Hoofdstuk V: Bogomilen en katharen
- Besluit
- Bibliografie
Inleiding
Het onderwerp
van deze licentiaatsverhandeling is het bogomilisme, een ketterij die een
wezenlijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de ketterijen in de
Middeleeuwen. De verhandeling begint bij de oorsprong van het bogomilisme en de
mogelijke rol die daarin weggelegd was voor de paulicianen en de messalianen.
Ik eindig met de invloed van de bogomilen op de katharen. Nadat de bogomilen in
het westen aan de oorsprong van het katharisme stonden, verdwijnen de bogomilen
in de Balkan naar de achtergrond, maar deze laatste etappe in hun geschiedenis
wordt hier niet meer besproken. De behandelde periode beslaat ongeveer de
periode van de negende tot de twaalfde eeuw.
Over de geschiedenis van het
bogomilisme zijn reeds eerder studies verschenen. Deze werken zijn niet heel
recent, maar nog erg bruikbaar. De belangrijkste zijn:
The Bogomils: a study in Balkan neo-manicheism
van D. Obolensky (1948), Dualist Heresy in the
Middle Ages van M. Loos (1974) en Le
traité contre les bogomiles de Cosmas le prêtre van H.C. Peuch en A.
Vaillant (1945). Verder heeft vooral D. Angelov enkele monografieën en een hele
reeks artikels geschreven over de bogomilen.
Het belangrijkste artikel voor dit
onderzoek was van M. Dando: “Peut-on avancer de 240 ans la date de composition
du traité de Cosmas le prêtre contre les Bogomiles?» in het tijdschrift
Cahiers d’études cathares 34 (1983) en 35
(1984).
Hierin geeft de
auteur een historiografische discussie weer over de datum van één van de
belangrijkste bronnen over de bogomilen, het traktaat van Cosmas. De discussie
hieromtrent wordt uitgebreid weergegeven.
Zoals voor alle ketterijen, moeten
we voor een interpretatie van het bogomilisme vooral gebruik maken van bronnen
die opgesteld zijn door de tegenstanders van de bogomilen. Er schuilt
natuurlijk gevaar in deze eenzijdige benadering van de ketterij, maar het
bronnenmateriaal laat geen andere benadering toe. De belangrijkste Slavische
bron voor de eerste fase van het bogomilisme in Bulgarije, is het traktaat van
Cosmas, dat vertaald en uitgebreid ontleed werd door A. Vaillant en H.C. Peuch.
Naast dit traktaat zijn er nog twee Byzantijnse bronnen die de doctrines van de
bogomilen bespreken: de brief van Euthymios van Peribleptos en het traktaat van
Euthymios Zigabenos. Enkele belangrijke feiten voor de geschiedenis van de
bogomilen in het Byzantijnse rijk worden aangereikt door de
Alexiade van Anna Comnena. De andere
bronnen vertellen ons weinig nieuws en zijn soms gebaseerd op oudere bronnen.
De meeste bronnen in verband met de bogomilen zijn uitgegeven en vertaald door
B. Hamilton en J. Hamilton in Christian Dualist
Heresies in the Byzantine world, c.650-c.1405 (1998).
Het verslag van het kathaarse
concilie te Saint-Félix, het anonieme traktaat De
heresi Catharorum in Lombardia, het
Tractatus de hereticis van Anselmus van Alessandria en de
Summa van Rainerius Sacconi bieden ons
belangrijke informatie over de relatie tussen de bogomilen en de katharen. Via
de katharen is er één bron bewaard gebleven die van de bogomilen zelf afkomstig
was, namelijk de Interrogatio Iohannis.
Via de antwoorden van Christus op vragen van zijn geliefde leerling Johannes
leren we de voornaamste doctrines van de bogomilen. De
Interrogatio Iohannis is de enige bron die ons iets vertelt
over de eschatologische visie van de bogomilen. Verder zijn nog twee verslagen
over de rituelen van de katharen erg interessant, hoewel niet zeker is in welke
mate deze rituelen ook gepraktiseerd werden door de bogomilen. De meeste
bronnen over de katharen zijn uitgegeven en vertaald in
Heresies of the High Middle Ages van W.L.
Wakefield en A.P. Evans.
In hoofdstuk I wordt de
geschiedenis van de dualistische ketterijen in het christendom vóór de opkomst
van de bogomilen geschetst. Het dualisme poogde een antwoord te bieden op de
vraag naar de oorsprong van het kwaad. De dualistische ketters vonden het
antwoord van de christenen immers onbevredigend. De bekendste ketterleider was
Mani, die zijn naam gegeven heeft aan het manicheïsme. Doorheen de hele
Middeleeuwen werden alle dualistische ketterijen echter “manicheïstisch”
genoemd, wat de interpretatie ervan er niet eenvoudiger op maakt. We zouden een
rechtstreekse band kunnen vermoeden tussen vroegchristelijke manicheeërs en
middeleeuwse ketters. Waarschijnlijk was het manicheïsme echter reeds
uitgestorven ten tijde van de bogomilen en de katharen. In de oosterse bronnen
wordt het bogomilisme vaak een mengeling van paulicianisme en messalianisme
genoemd. Daarom worden deze ketterijen gedetailleerder besproken. Indien het
bogomilisme door deze beide ketterijen werd beïnvloed, dan hebben de bogomilen
van de paulicianen het dualisme overgenomen en van de messalianen het ascetisme.
Het bogomilisme is in de tiende
eeuw in het Eerste Bulgaarse Rijk ontstaan. In hoofdstuk II wordt eerst de
specifieke context geschetst waarbinnen het bogomilisme zijn oorsprong vond, met
een vermelding van de oudste bronnen over de bogomilen. In dit hoofdstuk wordt
de permanente aanwezigheid van paulicianen in Bulgarije aangetoond, waardoor de
hypothese van de invloed van de paulicianen op de bogomilen overeind blijft.
Van de messaliaanse ketterij vinden we op dat moment echter geen spoor meer
terug. Het ascetische aspect van de bogomilen was waarschijnlijk niet afkomstig
van de messalianen, maar van het Bulgaarse monnikenwezen. Het tweede punt van
hoofdstuk II is een bespreking van het traktaat van Cosmas, de belangrijkste
bron uit deze periode. Dit wordt door sommige onderzoekers gecontesteerd. Met
name E. Georgiev plaatst het traktaat in het begin van de dertiende eeuw in
plaats van op het einde van de tiende eeuw. Deze discussie komt pas in
hoofdstuk IV ter sprake, waarbij het artikel van M. Dando besproken wordt. Een
inhoudelijke analyse moet aantonen dat het traktaat vóór de twee grote
Byzantijnse bronnen werd geschreven. Dit is meteen de hoofdreden waarom de
discussie niet in hoofdstuk II opgenomen is: ik wou de bespreking van Euthymios
van Peribleptos en Euthymios Zigabenos aan de discussie laten voorafgaan. In
dit hoofdstuk hoort ook een bespreking van Bogomil, naar wie het bogomilisme
werd genoemd. Dit stuk is echter bewust beknopt gehouden, aangezien over deze
figuur nauwelijks iets bekend is.
Hoofdstuk III schetst de
geschiedenis van de bogomilen in het Byzantijnse rijk, waarbij ook aandacht
wordt besteed aan Bulgarije, dat in de elfde en twaalfde eeuw een Byzantijnse
provincie was. De twee andere grote bronnen over het bogomilisme, de brief van
Euthymios van Peribleptos en het traktaat van Euthymios Zigabenos, worden
uitgebreid besproken. Deze besprekingen maken duidelijk dat het bogomilisme een
hele evolutie onderging: de doctrines, rituelen en organisatie werden steeds
meer verfijnd. In dit hoofdstuk wordt ook duidelijk dat het bogomilisme een
politieke factor was in het Byzantijnse rijk. Er vond een reeks processen
plaats tegen (echte of vermeende) bogomilen. Het proces tegen Basileios was
daarbij van cruciaal belang, want het gaf aanleiding tot de bespreking van de
ketterij door Euthymios Zigabenos in zijn Panoplia
dogmatica. Uiteindelijk werd zelfs de patriarch van Constantinopel
afgezet op beschuldiging van sympathie met de bogomilen. De processen maakten
geen einde aan het bogomilisme, zoals blijkt uit enkele bronnen die opgesteld
werden tussen de processen en het begin van het Tweede Bulgaarse Rijk (1185).
Het is dan ook niet verwonderlijk dat veroordelingen van de bogomilen werden
toegevoegd aan het Synodicon van de Orthodoxie.
Hoofdstuk IV behandelt het
bogomilisme tijdens het Tweede Bulgaarse Rijk. De belangrijkste gebeurtenis
voor de geschiedenis van de bogomilen in deze periode was het concilie van
Trnovo in 1211, waarop de bogomilen werden veroordeeld. Ter gelegenheid van dit
concilie werd het Synodicon van Boril opgesteld. Volgens E. Georgiev werd nog
een tweede bron geschreven naar aanleiding van dit concilie, namelijk het
traktaat van Cosmas, dat aanvankelijk als redevoering werd gehouden op dit
concilie. In dit hoofdstuk wordt echter getracht deze visie te weerleggen. De
enige bron over het bogomilisme in deze periode is dus het Synodicon van Boril,
dat echter gebaseerd was op een brief van patriarch Cosmas I (1075-1081). Er is
dus nauwelijks waardevol materiaal voorhanden over de bogomilen uit deze
periode.
In het laatste hoofdstuk komt de
relatie tussen de bogomilen en de katharen aan bod. Hoewel het begin van het
katharisme en de ketterijen van het jaar Duizend ons voor problemen stellen, is
de invloed van de bogomilen op de katharen vanaf de tweede helft van de twaalfde
eeuw duidelijk. De kathaarse bisschoppen ontvingen hun wijding van de bogomilen
en meenden dat ze zich zo in de apostolische traditie plaatsten. In de westerse
bronnen vernemen we dat de katharen onderverdeeld waren in verschillende
gemeenschappen met verschillende dualistische tendensen. Grosso modo kunnen we
een onderscheid maken tussen gematigd en absoluut dualisme. De bronnen hierover
(De heresi Catharorum in Lombardia, de
traktaten van Anselmus van Alessandria en Rainerius Sacconi en het verslag van
het kathaars concilie te Saint-Félix)) hebben een hele discussie uitgelokt over
het dualisme van de bogomilen. Deze discussie wordt in dit hoofdstuk
weergegeven. De enige bron afkomstig uit het milieu van de bogomilen zelf, de
Interogatio Iohannis, is een uiting van
gematigd dualisme. Het werk moest de katharen van Noord-Italië opnieuw
verenigen en dus een einde maken aan het absolute dualisme, maar dit mislukte.
Aan de hand van beschrijvingen van kathaarse rituelen wordt duidelijk dat het
kathaarse consolamentum volledig
gebaseerd was op het spirituele doopsel van de bogomilen. We kunnen uit dit
hoofdstuk het besluit trekken dat bogomilen en katharen samen één grote ketterij
vormden. Interessant in dit opzicht is de visie van R. Poupin dat de gelijkenis
in organisatie en rituelen van bogomilen en katharen zo frappant zijn, dat de
doctrinaire verschillen (volgens Poupin kwam het absolute dualisme onder de
bogomilen niet voor) minder belangrijk waren.
Vele persoonsnamen en plaatsnamen
hebben soms een verschillende spellingswijze. Bij elke naam wordt voor één
optie gekozen en wordt deze keuze consequent gevolgd. Zo eindigen Griekse namen
bijvoorbeeld op –os in plaats van op –us laten eindigen (dus Euthymios in plaats
van Euthymius, hoewel de tweede schrijfwijze vaker voorkomt). De namen van
ketterijen (bogomilisme, katharisme) worden, behoudens spellingfouten, steeds
zonder hoofdletter geschreven. Termen uit andere talen (bijvoorbeeld
consolamentum) en titels van bronnen staan
steeds cursief gedrukt. In voetnoot worden titels van Slavische en Griekse
bronnen met een Latijnse titel bedacht of in onze letterwijze gezet, om de
leeswijze te vergemakkelijken. In dit verband wordt zo de methode van de
bibliografie in Christian Dualist Heresies in the
Byzantine world, c.650-c.1405 van B. en J. Hamilton gevolgd.