De Kerk slaagde er niet in een bevredigend
antwoord te formuleren op de vraag naar de oorzaak van het kwaad. De zondeval
kon wel verklaren waarom er nu zonde was in de wereld en dat elke mens met de
erfzonde wordt geboren, maar niet hoe de eerste mensen zondig waren geworden. De zondeval was immers veroorzaakt door de zonde. Hoe was het kwaad dan in de
wereld gekomen als de goede, almachtige God de wereld had geschapen?
Er zijn twee oplossingen voor het probleem
van het kwaad. De ene oplossing is de christelijke. Het christendom gaat uit
van een fundamentele band tussen de schepping en de Schepper, God. God is goed;
God heeft al wat is, geschapen; al wat is, is goed. Het kwade kan dus niet
bestaan, heeft geen positieve realiteit. Het kwade kan dan enkel de afwezigheid
van het goede zijn, een privatio boni. Het kwade is niet door God geschapen als het omgekeerde van het goede, maar
bestaat slechts in het goede, is afhankelijk van het goede. De oorzaak van het
kwaad ligt in het goede. De mens is fundamenteel op het goede gericht, maar kan
de verkeerde keuzes maken en zo het goede niét doen. Enkel in dit ontbreken van
het goede ligt het kwaad verscholen. De christelijke visie poogt dus de almacht
en goedheid van God te verzoenen met de zondige staat van de wereld.
De oplossing van het dualisme is veel
eenvoudiger en dus gemakkelijker te begrijpen voor de gewone gelovigen. Omdat
God goed is, moet het kwade buiten Hem liggen en kan het niet door Hem geschapen
zijn. Het dualisme aanvaardt dus een slecht principe (een kwade God) naast de
goede God.
Russell ziet twee bronnen voor het
dualistisch denken binnen het christendom: het Perzisch dualisme van Zoroaster
en het Griekse filosofisch dualisme. De belangrijkste van de dualistische
filosofen is Plato. Hij schakelde de Ideeënwereld gelijk met het goede. De
wereld van de Ideeën is goed; materie is minder goed. Het zoroastrisme was het
geloof in twee tegenstrijdige krachten: licht en duisternis. De wereld was
gemaakt uit de verbintenis van deze beide elementen. In Syrië kwamen beide
bronnen samen. De kwade materie van de Grieken werd toegeschreven aan de kwade
God van de Perzen, en de Ideeënwereld aan de goede God. Het christelijk
dualisme was geboren.
1. De gnostische ketterijen
Dualistische doctrines komen we doorheen
heel de geschiedenis van de mensheid, over de hele wereld, tegen. De
christelijke variant van de dualistische positie was het gnosticisme. Gnosticisme is mettertijd een verzamelnaam geworden waaronder zeer uiteenlopende
ketterse doctrines vallen. “Gnosticisme” is afgeleid van het Griekse woord
gnosis, wat “kennis” betekent. Kennis is
het middel tot verlossing. Gnosis betekent hier echter kennis van God, die
transcendent is en dus met het gewone verstand niét kenbaar. Gnosis is dus iets
heel anders dan wetenschappelijke kennis. Het is een soort van openbaring, een
innerlijke verlichting, met een praktische kant: wie de gnosis heeft ontvangen,
kent de geheimen van de verlossing. Gnosis is dan niet langer een middel tot
verlossing, maar de verlossing zelf.
De mens moet bevrijd worden van deze
wereld. De gnostici gaan immers uit van een dualistische visie. God is
absoluut transcendent en heeft met deze wereld niets te maken; materie is het
werk van de duistere machten. De enige stukjes goddelijkheid in deze wereld
zijn de menselijke zielen. De ziel is opgesloten in het lichaam, dus in de
materie. De ziel heeft deel aan de goddelijke substantie, maar heeft geen besef
meer van haar oorsprong. Daarom is gnosis, kennis, nodig.
Gnosticisme kon nooit verzoend worden met
het orthodoxe christendom. Omdat de mens altijd slecht was geweest en er geen
zondeval had plaatsgevonden, kon Christus die niet ongedaan maken door zijn
kruisdood. Daardoor viel de essentiële functie van Christus, zijn zoenoffer, weg uit de gnostische doctrine. Gnosticisme was dus onverzoenbaar met de
orthodox-christelijke traditie.
De bekendste gnosticus is Marcion. Hij stichtte een eigen gnostische Kerk. Zijn wereldbeeld bestond uit drie
sferen: de zichtbare werkelijkheid, de hemel van de Demiurg en de hemel van de
goede, ware God. Marcion zag het Oude en het Nieuwe Testament niet als
aanvullende geschriften, maar als elkaars tegenpolen. De leer van Mozes was
tegengesteld aan de leer van Jezus. Jezus was niet aangekondigd door de
profeten van het Oude Testament: hun Messias was immers een krijger-koning.
Marcion accepteerde enkel het evangelie van Lucas en de brieven van Paulus. Zijn Kerk gaf een eigen Nieuwe Testament uit, gezuiverd van alle “judaïsmen”.
Marcion vormde de gnostische
verdeling van de mensheid om tot een kerkelijk organisatie. De
pneumatikoi waren de uitverkorenen. Zij
waren gedoopt en moesten ascetisch leven. Ze moesten vooral huwelijk en
procreatie vermijden, want zo zette men het werk van de duivel voort. De gewone
gelovigen waren de psychikoi. Zij werden
meestal pas op hun sterfbed gedoopt. Deze twee groepen vormden samen de Kerk van
Marcion. Al wie daarbuiten stond, de ongelovigen, waren
hulikoi en dus reddeloos verloren.[7]
Al gauw werden enkele gnostische
sekten excentrieker. Men ging bijvoorbeeld al wie kwaad had gedaan in het Oude
Testament vereren als een held, omdat hij zich verzet had tegen Jehovah, de
kwade God. De voor ons eigenaardigste verering was die van de slang uit het
Paradijs. De slang had er immers voor gezorgd dat Adam en Eva de kennis kregen,
die Jehovah voor hen probeerde achter te houden. Tegelijk was er een tendens
naar het magische, merkbaar in de initiatieceremonie.[8]
De grootste christelijke
dualistische leraar, Mani, was beïnvloed door de leer van Zoroaster. Sommigen
zien hem zelfs eerder als een zoroastrische ketter dan als een christelijke. Mani zelf noemde zich echter steeds apostel van Christus. Het zoroastrische
element in zijn leer is de oppositie tussen Licht en Duisternis.
Vanaf het begin der tijden
bestonden de twee sferen van Licht en Duisternis naast elkaar. Elke sfeer had
haar eigen God: de goede God tegenover de Heer der Duisternis. Het was de kwade
God die zijn territorium wou uitbreiden en de Duisternis begon de sfeer van het
Licht binnen te dringen. Er ontstond zo een sfeer (het universum) van gemengde
elementen. Ook de mensen waren een samenstelling van Licht en Duisternis. Hun
ziel kon gered worden en terugkeren naar het Licht. Op een dag zou al het Licht
uit de mensheid gered zijn. Dan zou het universum afgebroken worden en waren de
sferen van het Licht en duisternis terug volledig gescheiden. Alle grote
religieuze leiders waren Boodschappers van God, maar Jezus was de grootste van
allen. Hij was een goddelijk wezen, dat enkel in schijn een menselijke vorm had
aangenomen en gestorven was.
De kerkelijke organisatie was een
kopie van de Kerk van Marcion. De manicheeërs waren verdeeld in twee klassen:
de Uitverkorenen en de Toehoorders. Men werd Uitverkorene na
initiatieceremonies, voorafgegaan door voorbereidingsperiodes. Na de
initiatieceremonie was men vol Licht en de Uitverkorene moest er vanaf dan enkel
voor zorgen dat Licht zo min mogelijk in contact te laten komen met aardse
dingen. Hij moest een ascetisch leven en een zwerversbestaan leiden, bijgestaan
door een Toehoorder, die bijvoorbeeld zijn eten moest klaarmaken (zo kon de
Uitverkorene er niet mee in aanraking komen). De Toehoorders moesten zich ook
aan bepaalde regels houden, zoals vijftig dagen per jaar vasten en te biecht
gaan bij de Uitverkorenen. Ze mochten geen levende dieren doden of sociale
zonden begaan. Ze moesten er vooral voor zorgen dat de Uitverkorenen niets
tekort kwamen. Aan het hoofd van de hele organisatie stonden een meester en
bisschoppen, maar hun functie is onduidelijk. In deze hele organisatie waren de
vrouwen gelijkwaardig aan de mannen.[9]
Mani begon te prediken in 242 en
stierf de marteldood in 276. Na zijn dood verspreidde zijn leer zich snel in
het Oosten en Noord-Afrika. Het manicheïsme heeft zich echter nooit kunnen
opdringen als dominante religie. De reden moet gezocht worden in het
antisociale aspect van de leer. Een hele groep mensen die weigerden te werken,
zich niet aan seculiere regels hielden en leefden van de liefdadigheid van
anderen, kon niet getolereerd worden door de autoriteiten. Ook het
monnikenwezen kende antisociale aspecten, maar de monniken leefden tenminste
volgens regels, moesten ook werken en zaten veilig in het klooster waar ze
gecontroleerd konden worden. De reputatie van het manicheïsme was zo groot, dat
vanaf dan elke vorm van dualisme vereenzelvigd werd met manicheïsme. Alle
ketters werden gelijkgesteld met manicheeërs.[10]
Janet en Bernard Hamilton geven een
andere interpretatie van het christelijk dualisme. Volgens hen ontstond dit pas
in de zevende eeuw. De dualistische religies die daarvóór reeds bestonden,
zoals het manicheïsme en het gnosticisme, bevatten wel christelijke elementen,
maar waren in de eerste plaats gebaseerd op niet-christelijke mythen. Het
gnosticisme hanteerde een dualisme tussen een perfecte, spirituele wereld en de
materiële wereld waarin de mens leefde. Deze wereld is ontstaan door een
kosmische ramp. De verlossing van de mens was afhankelijk van gnosis, kennis. Het gnosticisme bood een heel andere visie dan het christendom op de oorsprong
van de wereld en de verlossing. De christelijke dualisten waren niet de
opvolgers van de gnostici, maar andersdenkenden binnen de Kerk, die door hun
afwijkende ideeën uiteindelijk braken met de Kerk. Het manicheïsme was zeer
synchretistisch. Het dualisme was zoroastrisch, het geloof in reïncarnatie
Boeddhistisch en de leer over de verlossing van de mens Gnostisch. De
manicheeërs kan men echter vooral geen christelijke dualisten noemen, omdat ze
de rol van Christus niet als uniek beschouwen. Voor alle christelijke dualisten
was Christus de enige verlosser. Het christelijk dualisme begint met de
prediking van Constantinus van Mananalis. Zijn dualisme was enkel gebaseerd op
de autoriteit van het Nieuwe Testament.[11
De ketterse traditie werd op twee
manieren in stand gehouden. Aan de ene kant waren er de ketterse groeperingen
die bleven voortleven. Aan de andere kant was er de literatuur van de
gnostici. Ze hadden vele boeken gepubliceerd over de visioenen van bijbelse
figuren waarin de profeet de hemelen beschreef naar gnostisch model. Ze pasten
ook andere verhalen aan en gaven deze een gnostische moraal. Deze verhalen
werden zeer populair en hun ketters karakter werd genegeerd (of niet eens
opgemerkt). Zo bleven vele ketterse elementen bewaard.[12]
2. Het paulicianisme
De visie van Janet en Bernard Hamilton heeft gevolgen voor hun
visie op het paulicianisme. Over deze ketterij bestaat zeer veel discussie. Er
zijn geen bronnen van de paulicianen zelf bewaard gebleven. We kunnen enkel
steunen op bronnen, geschreven door christenen. De bronnen over het
paulicianisme vallen uiteen in twee groepen, die een zeer verschillend licht
werpen op de ketterij: de Armeense en de Griekse bronnen.[13]
Het eerste probleem stelt zich reeds met de naam van de
ketters. De naam “paulicianen” werd hun gegeven door hun tegenstanders; zijzelf
noemden zich “christenen”. De term is Armeens en betekent zoveel als “de
volgelingen van de verachtelijke kleine Paulus”. Maar wie is die Paulus? Volgens een eerste versie werd de ketterij gesticht door twee broers, Johannes
en Paulus. Zij hadden hun ketterse ideeën met de paplepel ingegoten gekregen,
want hun moeder Kallinike was een manichese. Manicheïsme moeten we in dit geval
niet letterlijk interpreteren, maar begrijpen als dualisme, want de historische
Mani werd pas na haar zoon Paulus geboren. De naam van de ketterij was afgeleid
van Paulus. Omdat Kallinike afkomstig was van Samosata, werd Paulus vaak
vereenzelvigd met Paulus van Samosata, de ketterse bisschop van Antiochië. Een
tweede mogelijkheid was de Armeniër Paulus. Na een eerste grote vervolging van
de sekte in het Byzantijnse rijk, leidde Paulus de ketters opnieuw naar
Armenië. Paulus had twee zonen, Genesius en Theodorus. Misschien was dit de
ware geschiedenis achter de mythe van Kallinike en haar twee zoons en was de
naam van de ketterij van deze Paulus afgeleid. Zijn zoon Genesius werd als Timotheus de nieuwe leider van de paulicianen. De
derde mogelijke verklaring is dat de naam is afgeleid van de apostel Paulus. De
paulicianen hadden grote eerbied voor hem: hun leiders noemden zichzelf naar
zijn leerlingen en hun gemeenschappen kregen de namen van de door Paulus
gestichte kerkgemeenschappen. Deze interpretatie botst echter op twee
moeilijkheden. Ten eerste noemden de ketters zelf zich geen paulicianen, maar
christenen. Deze naam werd hun door orthodoxe christenen gegeven. Zij kunnen
echter met de “verachtelijke, kleine Paulus” onmogelijk de apostel Paulus
bedoelen. Het is sowieso onwaarschijnlijk dat zij hun tegenstanders naar een
bekende apostel zouden noemen.[15]
De geschiedenis van de paulicianen
wordt pas helder vanaf Constantinus van Mananalis. In een Griekse bron wordt
Constantinus vermeld als stichter van de ketterij. Een tweede bron maakt
eveneens melding van Constantinus: hij zou de opvolger geweest zijn van de twee
broers. Uit andere bronnen weten we dat de paulicianen Constantinus erkenden
als hun stichter. Waarschijnlijk is het verhaal van de broers dus een legende
en was de werkelijke stichter van de ketterij de Armeniër Constantinus. Met hem
begon volgens Janet en Bernard Hamilton het paulicianisme, de eerste
christelijk-dualistische ketterij.
Constantinus leefde ten tijde van
keizer Constans II (641-668). Zijn dualistische doctrine had hij waarschijnlijk
ontwikkeld onder invloed van het zoroastrisme, de staatsreligie van Perzië, dat
tot 640 half Armenië omvatte. Constantinus nam van deze religie de kosmische
strijd tussen de machten van het goed en van het kwaad over. Evenmin als de
zoroastriërs hechtten de paulicianen veel belang aan ascetisme. Hiermee zou het
paulicianisme een uitzondering blijken in de christelijke dualistische
ketterijen. Ondanks de invloed van het zoroastrisme stichtte Constantinus een
echte christelijke ketterij: zijn volgelingen noemden zich christenen, ze
aanvaardden enkel de vier evangeliën en de veertien brieven van Paulus in hun
canon en Christus was de centrale figuur in hun geloof. Het verhaal achter de
doctrines van Constantinus was dat hij een boek met de vier evangeliën en een
boek met de brieven van Paulus gekregen had van een Syrische decaan, die hij
onderdak had geboden. De symboliek achter dit verhaal is duidelijk:
Constantinus herontdekte de ware apostolische traditie, die verwaarloosd was
door de orthodoxe kerk.[16]
Constantinus verhuisde met zijn
leerlingen naar Macedonië, waar hij de eerste pauliciaanse Kerk oprichtte. Hij
nam er de naam Silvanus aan, de naam van de leerling die door de apostel Paulus
naar Macedonië was gestuurd. Tijdens een vervolgingsactie tegen de paulicianen
onder leiding van een zekere Simeon, werd Constantiinus gedood. Naar het
voorbeeld van de christenvervolger Saulus werd de kettervervolger Simeon later
de nieuwe leider van de ketters, onder de naam Titus. Hij onderging hetzelfde
lot als zijn voorganger. Na de dood van Simeon-Titus moeten we het verhaal van
de Armeniër Paulus en zijn twee zoons plaatsen.
Het paulicianisme was net zoals het
iconoclasme tegen beeldenverering. De geschiedenis van het paulicianisme hing
bijgevolg nauw samen met de geschiedenis van het iconoclasme. De rangen van de
paulicianen werden trouwens regelmatig versterkt door radicaler geworden
iconoclasten. Omwille van hun religieuze vijandschap met het Byzantijnse rijk
sloten ze allianties met de Arabieren, waardoor ze ook een militaire bedreiging
gingen vormen. De situatie veranderde volledig toen de iconoclastische dynastie
van de Isauriërs op de troon in Constantinopel kwam (717-802). Zij waren de
paulicianen gunstig gestemd, en de patriarch van Constantinopel verklaarde de
paulicianen zelfs orthodox. Ze werden nu vervolgd door de Arabieren en de
Armeense geestelijkheid en zochten asiel in het Byzantijnse rijk. In deze
periode moeten we de overplaatsing van vele paulicianen naar Thracië plaatsen. Omwille van hun militaire kwaliteiten vormden ze er een ideale buffer tegen
Bulgarije.
Vanaf 780, onder het regentschap
van de latere keizerin Irene, werd de beeldenverering in ere hersteld. Dit
hield meteen een negatieve houding tegenover de paulicianen in. In 813 werden
ze opnieuw tot ketters verklaard door keizer Michaël I. De ketterij kende een
grote uitbreiding onder Sergius (801-835). Hij legde een grote
missioneringsactiviteit aan de dag en stichtte nieuwe kerkgemeenschappen. Hij
leidde ook rooftochten op Byzantijns grondgebied. In 835 werd hij vermoord. Na
hem volgde een periode van interne conflicten. De vervolging door keizer
Michaël I in het begin van de 9-de eeuw bracht hen ertoe de wapens op te nemen
en openlijk te rebelleren. De paulicianen sloten voortdurend bondgenootschappen
met de vijanden van het Byzantijnse rijk en dat waren vooral de moslims. Binnen
de ketterij waren er nu twee groepen te onderscheiden. Naast de zuiver
religieus geïnspireerde ketters waren er de militairen. Hiertoe behoorden veel
soldaten van ontbonden iconoclastische eenheden. Na de dood van Sergius werd
het leiderschap niet toegekend aan één persoon, maar aan zes personen. In de
praktijk betekende dit dat de ketterij vooral geleid werd door krachtige
militaire leiders.
In 843 werd het orthodoxe
christendom officieel hersteld onder keizer Michaël III. Een jaar later stelde
patriarch Methodius het synodicon van de orthodoxie op, een lijst van
veroordeelde ketterijen, dat jaarlijks op de eerste zondag van de vastenperiode
publiekelijk moest gereciteerd worden. Dit werd gevolgd door zware vervolgingen van de paulicianen waarbij enkele
honderdduizenden hun bezittingen verloren of de dood vonden. Eén van de
slachtoffers was de vader van Karbeas, een officier in het Byzantijnse leger én
pauliciaan. Hij vluchtte met vijfduizend aanhangers naar het gebied van de emir
van Melitene waar ze zich mochten vestigen vlakbij de Eufraat. Hier ontstond de
pauliciaanse staat, die slechts kortstondig bestaan heeft. In 872 werd hun
nieuwe militaire leider, Chrysocheir, onthoofd, waarna de pauliciaanse hoofdstad
Tephrikè werd ingenomen. Dit wordt beschouwd als het einde van de militaire
macht van de Paulicianen.
Het paulicianisme wordt steevast
gezien als een heropleving van het Manicheïsme en dus als een dualistische
ketterij. Naast de goede god bestaat er een kwade God, die de wereld geschapen
heeft. Het was geen absoluut dualisme, want de goede God was superieur aan de
kwade: de heerschappij van de kwade God zou eindigen ten voordele van de
heerschappij van de ware God.
Vermits de materie een schepping
van de duivel was, kon Christus geen lichaam aangenomen hebben. Zijn lijden,
dood en verrijzenis waren slechts een illusie. Deze leer over Christus is
docetisch van aard. Dit docetisme had tot gevolg dat Maria niet werkelijk de
moeder van Christus kon zijn. Zij werd dan ook niet vereerd. Christus heeft
evenmin werkelijk materiële sacramenten gegeven aan de Kerk: de sacramenten
moeten allegorisch geïnterpreteerd worden. Het brood en de wijn van de
eucharistie begrepen zij symbolisch als de leer van Christus. Zoals de
iconoclasten vereerden ze geen beelden. Ze gingen echter nog een stap verder
dan de iconoclasten en vereerden zelfs het kruis niet. Het ware kruis was voor
hen geen object, maar Christus met uitgestrekte armen. Ze aanvaardden evenmin
het Oude Testament en de profeten. De paulicianen beschouwden zich als de ware
Kerk en noemden de orthodoxe christenen steeds “Romeinen”.
De doctrine van het paulicianisme
sloot nauw aan bij het manicheïsme, maar er waren opmerkelijke verschillen. Het
dualisme van de paulicianen was gematigd, in tegenstelling tot het absolute
dualisme van de manicheeërs. Het grootste verschil lag echter vooral op het
praktische vlak. Typisch voor de manicheeërs was de nadruk op ascetisme,
waarbij het strikt verboden was levende wezens te doden. De paulicianen
daarentegen waren krijgers, voor wie ascetisme geen belang had.
De paulicianen hebben ook veel
overgenomen van de leer van Marcion. Het grote verschil ligt in de christologie
van beide ketterijen. Volgens Marcion heeft Christus niet als kind geleefd en
verscheen hij pas op aarde in het vijftiende regeringsjaar van Tiberius. Zijn
dood was noodzakelijk voor de verlossing van de wereld. Voor de paulicianen was
Christus een engel, die slechts in schijn geleden heeft en gestorven is op het
kruis. Zijn belang ligt niet in zijn dood, maar in zijn boodschap.
Garsoïan biedt een heel andere
interpretatie van het paulicianisme, die op heel wat verzet stuit. Ik wil ze
hier toch kort vermelden. Volgens Garsoïan waren er twee tradities binnen de
ketterij. De oudste traditie was niet dualistisch en niet docetisch. In deze
traditie geloofden de paulicianen in de ene, ware God, die de hemelen en de
aarde geschapen had. Jezus werd niet geboren als de Zoon van God, maar door
zijn voorbeeldig leven werd hij door God als zodanig erkend. Het doopsel van
Jezus markeerde zijn erkenning als Zoon van God. Omdat Jezus pas op
dertigjarige leeftijd gedoopt was, waren de paulicianen tegen de kinderdoop. Het doopsel kon pas toegediend worden na een lange periode van instructie,
boetedoening en onthouding. Wie het doopsel ontving, werd vervuld van de
Heilige Geest en evenwaardig aan Christus. Christus werd gezien als de
verlosser van de mensheid. De paulicianen beschouwden zich als de erfgenamen
van de apostolische traditie. Ze erkenden de orthodoxe sacramenten niet en
bijgevolg ook niet de orthodoxe clerus, die de sacramenten toediende. De
bemiddeling van de heiligen werd veroordeeld, want enkel God kon verlossing van
zonden brengen.
Deze ideeën vertonen grote
gelijkenissen met het adoptionisme van Paulus van Samosata. Paulus was de
bisschop van Antiochië in de tweede helft van de derde eeuw, maar werd afgezet
omwille van zijn ketterse ideeën. Zijn belangrijkste doctrine was het
monarchianisme: de absolute eenheid van God. Het gevolg van deze doctrine was
de ontkenning van de goddelijkheid van Jezus. Jezus was een gewone man, die
door zijn uitzonderlijk leven geadopteerd werd als de Zoon van God. Iedereen
die Jezus navolgde, kon eveneens geadopteerd worden als Zoon van God en
gelijkwaardig worden aan Christus. Er is duidelijk een grote gelijkenis tussen
het adoptionisme en het vroege, Armeense paulicianisme. In Garsoïan’s
interpretatie komt dus de traditionele verklaring dat de benaming “paulicianen”
afgeleid was van Paulus van Samosata, opnieuw boven water.
In deze interpretatie heeft
Constantinus van Mananalis geen nieuwe ketterij gesticht, maar een bestaande
ketterij verspreid in Grieks-sprekende gebieden. Vreemd genoeg kent Garsoïan de
dualistische traditie binnen het paulicianisme niet toe aan Constantinus, maar
aan Sergius. Zij denkt dat deze evolutie naar een dualistische ketterij pas
plaats greep in het Byzantijnse rijk. Volgens de visie van Garsoïan kan Constantinus van Mananalis dus zeker niet aan
de oorsprong staan van de christelijke dualistische traditie. Haar visie biedt
ook problemen voor de verklaring van het ontstaan van het bogomilisme.
Na de verwoesting van Tephrikè
duiken de paulicianen in de bronnen nog geregeld op als hulptroepen bij
militaire conflicten. Vele ketters vluchtten terug naar Armenië, waar de
ketterij een laatste opbloei kende onder een nieuwe naam: de tondrakeçi. Over
de relatie tussen de paulicianen en de tondrakeçi zijn ook vele discussies
gevoerd. Sommigen beschouwen hen als één ketterij met twee verschillende namen;
anderen zien er twee duidelijk onderscheiden ketterijen in. Er zijn grote
doctrinaire overeenkomsten tussen paulicianen en tondrakeçi, behalve op het vlak
van docetisme en dualisme. Garsoïan beschouwt de ketterij van de tondrakeçi dan
ook als de voortzetting van de oude traditie van het paulicianisme. Maar
misschien evolueerden de dualistische ketters wel naar het adoptionisme in
latere tijden.
In elk geval kon enkel de
dualistische strekking invloed hebben uitgeoefend op de bogomilen. Onder keizer
Johannes Tzimisces (969-976) vond de tweede grote overplaatsing van paulicianen
naar de Balkan, meer bepaald naar de streek rond Philippopolis, plaats.
Op de Balkan lagen ze aan de oorsprong van een nieuwe ketterij: het bogomilisme.
3. Het messalianisme
De tweede
belangrijke ketterij voor de geschiedenis van de bogomilen, is het
messalianisme. De benaming “messalianen” is Syrisch voor “zij die bidden”. De
Griekse tegenhanger van de term is “euchitae”. De sterke nadruk op het gebed is
inderdaad één van de hoofdkenmerken van de beweging. Over deze ketterij is
minder geweten dan over de paulicianen. De interpretatie ervan is zeer moeilijk
omdat aan de oorsprong van de beweging grotendeels een kerkelijke
conceptualisering lijkt te liggen. Voor het ontstaan van de messaliaanse
ketterij moeten we eerst aandacht schenken aan de messaliaanse controverse.
De
messaliaanse controverse ontstond in de vierde eeuw toen het monnikenwezen zich
ontwikkelde. In die tijd raakte het apostolisch ideaal, gebaseerd op ascese,
zwerftochten en materiële afhankelijkheid, verspreid in het Romeinse rijk. Er
bestonden echter twee verschillende interpretaties van dit ideaal. Sommige
ascetische leken volgden het apostolisch ideaal van Jezus. Jezus had zijn
apostelen aangespoord zich niet te bekommeren om materiële, wereldse zaken. Dit
ideaal was toonaangevend in Syrië. was een conflict tussen kerkleiders en
ascetische leken, dat voor een belangrijk deel gebaseerd was op de interpretatie
van de verschillende interpretatie van de woorden van Jezus en Paulus, die
moeilijk in overeenstemming zijn te brengen. De officiële Kerk daarentegen,
die sterk gehelleniseerd was, hechtte meer belang aan de brieven van Paulus en
de commentaren daarop. Paulus onderstreepte het belang van handenarbeid naast
geestelijke arbeid: de volgelingen van Jezus moeten zelf voor hun
levensonderhoud instaan. Er bestond dus een oude apostolische traditie van
ascetisme volgens dewelke een ascetische elite zich volledig kon wijden aan
spirituele activiteiten en materieel ondersteund werd door gewone gelovigen. Het was in feite het monastieke ideaal van handenarbeid en zelfvoorziening dat
vernieuwend was. De messaliaanse controverse was een conflict tussen
gehelleniseerde kerkleiders en ascetische leken, dat voor een belangrijk deel
gebaseerd was op de verschillende interpretatie van de woorden van Jezus en
Paulus, die moeilijk in overeenstemming zijn te brengen.
De Kerk
probeerde haar ideaal op te dringen en de verschillende ascetisch levende
christenen een officieel statuut te geven en binnen de kerkelijke organisatie op
te nemen. Dit is het begin van het kloosterwezen. Monniken mochten niet
rondzwerven, maar moesten binnen de kloostermuren blijven:
stabilitas loci. Deze kloosters moesten in
hun eigen behoeften voorzien. Groepen van ascetisch levende monniken waren
potentiële afscheidingsbewegingen. Door het kloosterwezen uit te bouwen,
kapselde de Kerk deze bewegingen in het christendom in. Natuurlijk vielen
daarbij bewegingen uit de boot. Sommige groepen waren te radicaal, andere
weigerden zich aan de Kerk te onderwerpen. Zij werden veroordeeld als ketters. Zo werden ook verschillende groepen veroordeeld, die zich lieten opvallen door
hun hartstochtelijke gebeden: de messalianen.
In 377 schreef
bisschop Epiphanius van Salamis een uiteenzetting over de messalianen. Hij
schreef hun een aantal kenmerken toe. Groepen mannen en vrouwen die
rondzwierven, materiële bezittingen weigerden en op onregelmatige tijden baden
en vastten. Ze lieten zich echter vooral kenmerken door
argia, de weigering van alle handenarbeid. Het gevolg hiervan was dat ze moesten bedelen om aan voedsel te komen. Epiphanius voegde er nog aan toe dat ze geen naam, leider, regels of vaste
locatie hadden. Zij interpreteerden de woorden van Jezus letterlijk en volgden
strikt het apostolisch model van de evangelies. Het profiel dat Epiphanius
opstelde van de messalianen beperkte zich dus tot hun gedragingen en zweeg over
doctrinaire kwesties. Epiphanius legde met dit werk het profiel van de
messalianen vast: wie aan dit profiel beantwoordde, kreeg het etiket
“messaliaan” opgekleeft. Het messalianisme was geen specifieke beweging, maar
een radicalisering van het apostolisch ideaal door verschillende ascetische
groepen. De hoofdkenmerken van die radicale groepen werden door Epiphanius
samengebracht onder de noemer “messalianisme”. messalianisme moeten we dan ook,
zeker in deze periode, niet zozeer zien als een aparte ketterij, maar als een
kerkelijk “label” dat op alle rondzwervende asceten die zich niet wilden plooien
naar de autoriteit van de Kerk, van toepassing kon zijn.
De kerkelijke
autoriteiten reageerden hiertegen omwille van twee redenen. De eerste reden was
de sociale conventie. De laat-Romeinse tijd was een periode van verval. Het
was niet geoorloofd dat in die moeilijke tijden hele groepen mensen zich
onttrokken aan arbeid en zich lieten onderhouden door anderen. Keizerlijke
wetten poogden voor economische en sociale stabiliteit te zorgen.
Stabilitas loci was daarbij een leidend
principe: rondzwerven werd niet opportuun geacht. De kerkelijke leiders werden
hierdoor beïnvloed en hebben de rondzwervende monniken in kloosters gedwongen,
waar ze zelf in hun behoeften moesten voorzien. De belangrijkste reden lijkt
echter de vrees voor concurrentie van een ascetisch levende elite geweest te
zijn. Sommige rondzwervende monniken claimden immers apostolische autoriteit en
genoten een groot prestige onder de bevolking. Ze tastten zo de positie van de
bisschoppen aan. De losse organisatie van deze monniken botste met de
toenemende hiërarchisering van de Kerk.
Waarschijnlijk
hebben de messalianen met verloop van tijd eigen doctrines ontwikkeld. Deze
doctrines werden veroordeeld op enkele synodes in Syrië in de jaren 380 en 390,
waar de van ketterij verdachte Adelphius en Sabas aanwezig waren. Zij zetten
hun doctrines uiteen, die vanaf dan werden toegeschreven aan de messalianen. De
synodes voegden aan het messaliaanse profiel doctrinaire kwesties toe. In 431 werd de ketterij van de messalianen veroordeeld.
Het
messalianisme vertrekt van de basisgedachte dat door de zondeval van Adam in
elke mens een demon huist vanaf zijn geboorte, die hem naar het kwaad drijft. Iedereen moet proberen van deze demon af te geraken. Dat kan niet door het
doopsel. De messalianen kennen aan het doopsel noch aan de andere sacramenten
enige waarde toe. De enige mogelijkheid tot verlossing van deze demon was
bidden. Dit moet dan wel zeer intensief en veelvuldig gebeuren en gepaard gaan
met strenge ascese. Daardoor hebben de messalianen het verwijt gekregen dat ze
zich helemaal aan hun gebeden wijdden en niets anders meer deden. Toch lag de
nadruk eerder op de intensiteit dan op de duur.
Tegelijk met de verwijdering van de
demon, daalde de Heilige Geest neer over de biddende mens. De demon, die fysiek
aanwezig is in de mens, wordt ook op een fysiek waarneembare manier verwijderd,
als het snot en het speeksel van de mens. De nederdaling van de Heilige Geest
was ook zintuiglijk waarneembaar: de gelukkige voelt een warme gloed en heeft
een gevoel van volheid en zekerheid.
Vanaf dan bevond men zich in een
toestand van volkomen passieloosheid, de apatheia,
die eeuwigdurend was. Men was bevrijd van de menselijke passies. De groep
mannen en vrouwen in deze toestand noemde men de Spirituelen. De ziel van de
Spirituelen is van pure goddelijke natuur. De Spirituelen konden in de harten
van de mensen kijken, de demonen zien, ze kregen visioenen en konden de toekomst
voorspellen. Maar bovenal konden ze onmiddellijk de Heilige Drievuldigheid
aanschouwen.
Zolang men deze staat van
volmaaktheid nog niet bereikt had, moest men zeer ascetisch leven. Eenmaal de
perfecte toestand bereikt, kon men zich echter volledig laten gaan: zonde was nu
niet meer mogelijk. Men kon doen en laten wat men wou. Men had geen onderricht
of ascese meer nodig. Extreem ascetisme en extreme immoraliteit waren dus beide
mogelijk in deze ketterij. De ketters, voor wie deze beschuldigingen opgingen,
hadden zich dus reeds ver verwijderd van het oorspronkelijke apostolische
ideaal.
De Spirituelen werden geëerbiedigd
door de gewone gelovigen, die voor hen zorgden. De Spirituelen zelf hielden
zich immers ver van alle arbeid. Ze weigerden niet alleen gewoon werk te doen,
maar ook de werken van liefdadigheid. Ze stonden onverschillig tegenover de
Kerk en de sacramenten: naar de kerkelijke diensten kon geen kwaad, maar was
niet noodzakelijk. Ze lieten zich daarbij leiden door de Heilige Geest. Voelden ze de nabijheid van de Heilige Geest op het moment van de eucharistie,
dan namen ze het sacrament. Hun tegenstanders verweten hen dan ook vooral een
asociale houding.
4. Besluit
Het christelijk dualisme ontstond
waarschijnlijk tegelijk met het christendom. Reeds bij de oorsprong van het
christendom was er een tendens tot ascetisme, waarbij sommigen dachten dat
complete onthouding noodzakelijk was voor verlossing. Het christendom stond
positief tegenover ascetisme, maar dit kon gemakkelijk omslaan in dualisme. Vanuit zijn liefde voor God onthield de asceet zich van de aardse, materiële
dingen. Hij besefte dat hierin niet het ware geluk kon liggen. Wanneer hij
echter het materiële met het kwade ging vereenzelvigen en het materiële radicaal
in oppositie met de goede God ging plaatsen, verviel hij in dualisme.
In elke dualistische Kerk kon men
slechts verlost worden door gnosis, kennis die men verwierf na een
initiatieceremonie. Dan behoorde men tot de klasse van de ingewijden. Deze
initiatieceremonies geleken zeer sterk op het doopsel bij vroege christenen. Later werd het doopsel reeds bij de geboorte gegeven, waardoor men van bij zijn
geboorte tot de klasse der ingewijden behoorde. De oude gewoonte hield stand
bij de ketters. Ook bij andere ceremonies zien we dat de ketters deze vaak in
hun zuivere vorm bleven onderhouden, terwijl de orthodoxe ceremonies met steeds
meer pracht en praal gepaard gingen.
We sluiten dit hoofdstuk af met de synthese van Runciman:
“Soon
after…the Gnostic churches lost touch, and divided into two main streams. The
one, the more strictly Dualist...lingered in Armenia and travelled with Armenian
colonists to the Balkans. The other, the Monarchian stream, remained to a
greater extent the repository of Gnostic tales and Early Christian usages, and,
revitalized by an evangelical movement known as Messalianism,...came also to
Thrace and to the Balkans. There the two branches joined up again, though each
retained its fundamentel doctrine, and jointly they swept over Europe.”
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
5.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 1-5.
RUSSELL, Dissent and Reform in the early Middle Ages, p. 188-189.
JONAS, The Gnostic Religion, p.
32-35.
LOOS, Dualist Heresy in the Middle Ages,
p. 21-22.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
172.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
8-9.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
10.
LOOS, Dualist Heresy in the Middle Ages,
p. 23-24.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
17-18.
HAMILTON, Christian dualist heresies in the
Byzantine world c.650-c.1405, p. 1-5.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
21.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
112-113.
Deze mogelijkheid wordt door de Hamiltons het meest waarschijnlijk geacht.
VANHAVERBEKE, Ketters met het zwaard. Een
geschiedenis van de Paulicianen, p. 50.
HAMILTON, Christian dualist heresies in the
Byzantine world c.650-c.1405, p. 7-9.
VANHAVERBEKE, Ketters met het zwaard. Een
geschiedenis van de Paulicianen, p. 57-59.
VANHAVERBEKE, Ketters met het zwaard. Een
geschiedenis van de Paulicianen, p. 59-64.
Dit synodicon is ook belangrijk voor de studie van de bogomilen.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
125-129.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
152-172.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
188.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
60.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
152-154.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
210-213.
GARSOÏAN, The Paulician Heresy, p.
180-184.
VANHAVERBEKE, Ketters met het zwaard. Een
geschiedenis van de Paulicianen, p. 88-95.
VANHAVERBEKE, Ketters met het zwaard. Een
geschiedenis van de Paulicianen, p. 69.
CANER, Wandering, begging monks,
hoofdstuk 3.
STEWART, Working the Earth of the Heart: the Messalian Controversy, p.
1-2.
CANER, Wandering, begging monks, p.
86-89.
CANER, Wandering, begging monks, p.
150-152.
CANER, Wandering, begging monks, p.
92.
STEWART, Working the Earth of the Heart: the Messalian Controversy, p.
59-65.
GUILLAUMONT, “Messalianisme”, in: Dictionnaire
de spiritualité 10 (1980), p. 1080-1082.
STEWART, Working the Earth of the Heart: the Messalian Controversy, p.
59-65.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 51.
STEWART, Working the Earth of the Heart: the Messalian Controversy, p.
64-65.
RUSSELL, Dissent and Reform in the early Middle Ages, p. 191.
RUNCIMAN, The Medieval Manichee, p.
173.
“Monarchianisme” is hier voor Runciman het geloof dat de slechte God een
gevallen engel is en dus ondergeschikt aan de goede God. Ik zal deze
doctrine verder “gematigd dualisme” noemen, in tegenstelling tot “absoluut
dualisme”. De ketterij van het strikt dualisme, dat ontstaan is in Armenië,
is natuurlijk het paulicianisme. Uit beide stromingen ontstond in de Balkan
een nieuwe ketterij: het bogomilisme. Het bogomilisme verspreidde zich in
West-Europa onder de vorm van het katharisme. Ik zal niet de hele theorie
van Runciman bespreken, maar bepaalde elementen zullen wel aan bod komen,
met name de oorsprong van het bogomilisme en de relatie tussen bogomilen en
katharen. RUNCIMAN,
The Medieval Manichee, p. 174-175.