1. Geschiedenis van het Eerste Bulgaarse Rijk
[43]
a.
Vorming van Bulgarije
De Bulgaren, het volk waarin
het bogomilisme zijn wortels heeft, is ontstaan uit de etnische samensmelting
van twee volkeren: de Slaven en de Protobulgaren.
De migratie van Protobulgaren onder
leiding van Asperuch naar de Donau moet ongeveer tussen 650 en 670 hebben
plaatsgevonden. In 679 eindigde de oorlog van de Byzantijnen met de Arabieren
en had keizer Constantinos IV de handen vrij om de Bulgaren aan te pakken. Het
draaide echter helemaal anders uit. De Bulgaren dreven de keizerlijke troepen
terug en drongen het rijk binnen. In 681 sloot Asperuch een verbond met de
Slavische stammen in Noord-Bulgarije. Dit hield in dat ze zich gezamenlijk
zouden verdedigen tegen binnenvallende vijanden. Zo werd een nieuwe staat
gevormd, waarin de Protobulgaren het heersende element vormden, maar de Slaven
een grote mate van autonomie behielden. Gezamenlijk dwongen ze de Byzantijnse
keizer een vredesverdrag te sluiten. Asperuch kreeg het door hem veroverde land
en de keizer verbond er zich toe jaarlijks tribuut te betalen. Dit verdrag
wordt gezien als de stichting van het Eerste Bulgaarse Rijk. De vorming van het
Bulgaarse rijk was de eerste stap op weg naar de politieke en etnische
versmelting van Slaven en Protobulgaren en lag dus aan de basis van het ontstaan
van het Bulgaarse volk.
De Slaven werden aanvankelijk
gecontroleerd door Protobulgaarse edelen: de bojaren. Na 680 waren er drie tendensen in Bulgarije: een geleidelijke slavisering van de
Protobulgaren, de fundering van de staat en een groeiende invloed van de Griekse
cultuur. De Byzantijnse cultuur (met het christendom) kwam Bulgarije binnen via
immigratie, diplomatie, handel en uitbreiding van het territorium, waardoor
christelijke gemeenschappen in het rijk opgenomen werden. De Protobulgaarse
militaire aristocratie behield echter zijn heidense tradities en steppecultuur.
b.
Verspreiding van christendom en ketterijen
De regeringen van de koningen
Omortag (+831)
en Malamir (+852)
werden gekenmerkt door vrede met de Byzantijnen en langdurige stabiliteit. De
langdurige vrede liet een verdere verspreiding van de Byzantijnse cultuur in
Bulgarije toe. Een onderdeel van dit cultuurpakket, naast de Griekse taal en
literatuur en ideologische elementen, was het christendom. Het christendom was
reeds aanwezig in enkele christelijke kernen die reeds vóór de komst van de
Slaven gevestigd waren. Zij hadden hun christelijke traditie waarschijnlijk
behouden. Daarnaast sloop het christendom ook binnen via Griekse gevangenen. Het oosterse christendom was sterk verbonden met de Griekse taal. Het gebruik
van het Grieks als taal van de administratie in Bulgarije vergemakkelijkte dus
de penetratie van christelijke elementen. Deze nieuwe godsdienst werd niet
zomaar aanvaard. Sommigen vreesden voor Byzantijnse dominantie via de “God van
de Grieken”, anderen hielden vast aan het traditionele heidens geloof. Vanuit
Byzantium werd echter nooit een politiek van georganiseerde kerstening gevoerd. Tussen 680 en 850 zijn er meer bewijzen te vinden van heidense Bulgaren die
Constantinopel bezochten en daar gedoopt werden dan van Byzantijnse
missionarissen op Bulgaars grondgebied. Er zijn wel enkele gevallen bekend van
Bulgaarse heersers die zich lieten dopen, maar het is twijfelachtig of dit een
echte bekering tot het christendom inhield. Ze hebben in elk geval het
christendom nooit tot officiële religie gebombardeerd. De heidense praktijken
bleven dominant in Bulgarije.
Ook christelijke ketterijen waren
reeds lang vóór de opkomst van de bogomilen aanwezig in Bulgarije. Na de
stichting van het Eerste Bulgaarse Rijk probeerde het Byzantijnse rijk zich
tegen deze nieuwe vijand te verdedigen. Daarbij hebben vele keizers de tactiek
toegepast om groepen Armeense ketters naar Thracië over te plaatsen. Ze
gebruikten hun militaire capaciteiten als buffer tegen de Bulgaren in het
noorden. Keizer Constantinos V Copronymos, die steeds oorlog heeft gevoerd met
Bulgarije, heeft tweemaal ketters getransporteerd naar Thracië, in 745 en 757. De volgende overplaatsing gebeurde onder keizer Leo IV. Een derde overplaatsing
vond plaats onder Theophilos ((829-842). De ketters werden in versterkingen
langs de Bulgaarse kust gevestigd. Ze bleven echter niet in deze versterkingen
en koloniseerden al snel het grensgebied tussen Byzantium en Bulgarije. In de
volgende decennia wisselde dit land voortdurend van eigenaar. Tijdens die
oorlogen werden vele krijgsgevangenen gemaakt en zo geraakten de ketters ook in
Bulgarije. Ze slaagden er dus geenszins in het Byzantijnse rijk te vrijwaren
van Bulgaarse aanvallen. Het militaire doel mislukte. Op religieus gebied was
de politiek van de keizers nog dramatischer: in plaats van zich tot het
christendom te bekeren, legden ze een grote missioneringsactiviteit aan de dag
en verspreidden ze de dualistische doctrines.
Het succes van de pauliciaanse
missionering in de eerste helft van de negende eeuw is te wijten aan een aantal
factoren. Zo stonden de Bulgaarse heersers tolerant tegenover deze ketterij: er
was immers geen gevaar voor Byzantijns imperialisme via het paulicianisme. Zoals het christendom konden de paulicianen een morele superioriteit claimen
over de heidense gebruiken. Omdat ook het christendom pas verspreid begon te
geraken, kon men nog geen goed onderscheid maken tussen orthodoxe en ketterse
ideeën. De belangrijkste leidraad van orthodoxe christenen en paulicianen was
zelfs dezelfde, namelijk het Nieuwe Testament. Het evangelie werd door beide
groepen gepredikt. Ongetwijfeld zijn sommige Bulgaren eerst via de paulicianen
in contact gekomen met de evangelies.
c.
Kerstening van Bulgarije
Indien de koning Bulgarije wilde
laten erkennen in de rest van de wereld en zijn rijk een plaats geven naast de
andere staten (het Byzantijnse en het Frankische rijk), dan kon hij niet anders
dan voor het christendom kiezen. De nieuwe Bulgaarse vorst Boris zag nog andere
voordelen. Het christendom erkende de fundamentele gelijkheid van alle volkeren
in de staat en hielp zo de etnische dualiteit te verbreken. Het legaliseerde de
positie van de heerser door het principe van de goddelijke afkomst van
autoriteit. Door het geloof zou Bulgarije ook verbonden worden met Byzantium en er de
culturele, politieke en institutionele invloed van ondergaan. Kortom, het
christendom zou zijn rijk een eenheid verschaffen en de cultuur en het prestige
ervan verhogen.
Hij was echter bevreesd voor te grote Byzantijnse invloed via dit christendom,
dat van buitenaf moest ingevoerd worden.
Rostislav, de vorst van Moravia,
ten noordoosten van Bulgarije, werd met dezelfde problemen geconfronteerd als
Boris. In Moravia was de kerstening, door de Frankische clerus, reeds
begonnen. De Frankische koning Lodewijk de Duitser mengde zich echter
voortdurend in de interne aangelegenheden van Moravia en Rostislav vreesde dan
ook dat zijn rijk zou opgaan in het Frankische rijk. Beide vorsten zochten
dezelfde oplossing: hun rijk laten kerstenen vanuit het religieuze centrum dat
het verst af lag. Rostislav was geneigd voor Constantinopel te kiezen; Boris
verkoos Rome. Het christendom telde sinds de Oudheid vijf patriarchaten,
waarvan er drie in de loop der eeuwen veroverd waren door de ongelovigen. Enkel
Rome en Constantinopel bleven over en waren in een hevige concurrentiestrijd
gewikkeld.
In 862 zond Rostislav een
gezantschap naar Constantinopel. De Byzantijnen moesten in Moravia een Kerk
organiseren, onafhankelijk van de Frankische invloed. Hij vroeg uitdrukkelijk
ook om een leraar die het christendom in Moravia kon onderwijzen in de taal van
de Slaven. Keizer Michaël zond de geleerde Methodius en Constantinos, die op
zijn sterfbed de naam Cyrillus aannam en onder die naam de geschiedenis is
ingegaan. Zij waren afkomstig uit de provincie Thessaloniki, maar hun etnische
afkomst is onzeker. Zij konden in elk geval Slavisch spreken. Zij hadden zich
in 851 teruggetrokken in een klooster op de berg Olympos in Klein-Azië. De
monniken daar waren actieve missionarissen. De regio rond het klooster was
vooral Slavisch. Het grootste probleem bij de kerstening van deze mensen was
dat de Slaven geen schrift hadden. Elke christelijke gemeenschap had een
geletterde clerus nodig (het christendom is een “schriftelijke” godsdienst). Om
dit probleem op te lossen, ontwierp Cyrillus een alfabet voor de Slavische
taal. Waarschijnlijk was dit niet het Cyrillisch alfabet, dat nochtans naar hem
genoemd is, maar het Glagolitisch. Hij had dit alfabet dus reeds vóór 862 ontworpen en daarom was hij ongetwijfeld
de meest voor de hand liggende keuze voor de keizer. Samen met zijn oudere
broer Methodius zou hij de heilige geschriften in het Slavisch vertalen en een
Slavische clerus opleiden. Zij waren in Moravia geen pioniers, maar
consolideerden de kerstening, die reeds begonnen was. Ze richtten er een
Slavische Kerk op, openden scholen, leidden leerlingen op en vertaalden
liturgische boeken uit het Grieks in het Slavisch.
Boris zocht toenadering tot het
Duitse hof om zijn rijk vandaaruit te laten bekeren. Byzantium was hier echter
sterk tegen gekant en vreesde de Roomse invloed via Frankische missionarissen. Keizer Michaël III rolde zijn spierballen en trok met zijn vloot naar de
Bulgaarse kust. Dit bleek voldoende afschrikwekkend. Boris bond in en
aanvaardde kerstening vanuit Constantinopel.
De koning gaf
zelf het goede voorbeeld en liet zich in 865 dopen, met keizer Michaël als
peter. Boris had met de introductie van het christendom een politiek doel voor
ogen. De staatsreligie was op dat moment de oude Bulgaarse godsdienst. De
Slaven hadden hier geen binding mee, maar moesten wel participeren aan de riten
van hun Bulgaarse leiders. Deze godsdienst was sterk verbonden met het
clansysteem, waarin de koning als eerste onder gelijken werd beschouwd. Hij
voerde aanvankelijk zelfs dezelfde titel (“kan”) als de stamhoofden. Het
christendom zou een gemeenschappelijke religie voor allen zijn, het clansysteem
en zo ook de macht van de Bulgaarse edelen breken en de koning een religieuze
legitimatie verlenen die hem boven al zijn onderdanen zou plaatsen. Het
christendom was dus een grote bedreiging voor de bojaren, die onmiddellijk in
opstand kwamen. De opstand werd onderdrukt en de leiders van de clans gedood.
Constantinopel wou de Bulgaarse
Kerk strikt onder controle houden en weigerde haar zelfs een bisschop te geven. Daarom stuurde Boris een gezantschap naar paus Nicolaas I en vroeg hem zijn volk
te instrueren in het ware christelijke geloof. De paus ging hier gretig op in:
het was voor hem een kans om zijn jurisdictie uit te breiden ten koste van de
patriarch van Constantinopel. Boris zond ook een gezantschap naar Lodewijk de
Duitser met de vraag bisschoppen en priesters te sturen. Zowel de paus als
Lodewijk stuurden priesters, maar de Frankische clerus werd teruggezonden. De
Griekse clerus werd vervangen door de Roomse; de Latijnse ritus verving de
Griekse. In de (Latijnse) brief die paus Nicolaas I meezond met de priesters,
vinden we impliciete verwijzingen naar de aanwezigheid van ketters. In de brief beantwoordde de paus de vragen van Boris. Boris had hem gevraagd
wat hij moest doen met predikers die het geloof niet volgens de apostolische
voorschriften onderwezen. Hij had zich ook beklaagd over de komst van
“christenen” uit andere landen, die het geloof anders verkondigden: “…je beweert
dat veel Christenen uit verschillende plaatsen naar je land komen, die vele en
verschillende dingen zeggen, namelijk de Grieken, de Armeniërs en degenen uit
andere plaatsen.” De Armeniërs waren ongetwijfeld paulicianen.
De paus weigerde de Bulgaren echter
een aartsbisschop. Toen de nieuwe patriarch, Ignatius, wel geneigd was hieraan
toe te geven, keerde Boris opnieuw zijn kar. Op een concilie in Constantinopel
in 870 sloot Bulgarije opnieuw aan bij de oosterse Kerk. Bulgarije kreeg
daarbij een aartsbisschop en een grote mate van autonomie. Boris had
ondertussen ook begrepen dat het oosterse christendom meer perspectieven bood
dan het westerse. In het oosten was het christendom een staatsgodsdienst
geworden, onder controle van de keizer. De keizer was de plaatsvervanger van
God op aarde, zijn suprematie werd gesanctioneerd door de Kerk en de patriarch
was aan hem ondergeschikt. In het westen had de Kerk zich echter als een
autonome organisatie naast de staten ontwikkeld. De Roomse Kerk was
onafhankelijk van wereldlijke machten en verbood de tussenkomst van
lekenheersers. Meer zelfs, ze wilde zich boven die machten stellen en de
handelingen van wereldlijke machthebbers controleren. De paus koesterde
internationale ambities. Het was voor Boris veel interessanter het oosterse
model van het Byzantijnse rijk te kopiëren dan zich in te laten met de paus. Bovendien waren de Bulgaren reeds onder de invloed van de Griekse beschaving
gekomen. De Grieken hadden schitterende paleizen gebouwd, schilderijen gemaakt
en hen een geschreven taal gegeven. Rome had niets voor Bulgarije gedaan en lag
cultureel achter op Constantinopel.
De Latijnse clerus werd nu opnieuw
vervangen door Griekse geestelijken. Zoals de Latijnse geestelijken de
praktijken van de Griekse clerici veroordeeld hadden, zo oordeelden de Grieken
nu dat de doop, toegediend door de Latijnen, onwaardig was. Dit was uiteraard
uiterst verwarrend voor de Bulgaren. De ruzie tussen de Latijnse en de Griekse
clerus ondermijnde beider prestige. De ketters sponnen er garen bij: zij
brachten beiden in diskrediet. De kerstening van Bulgarije werd dus sterk
bemoeilijkt door de actieve missionering van ketterse groepen. Dit creëerde een
klimaat van religieuze instabiliteit.
In 881 keerde Methodius naar
Constantinopel terug. Zijn broer Cyrillus was inmiddels overleden. Constantinopel bleek ondertussen bereid de Slavische ritus toe te laten in
Bulgarije, in ruil voor Byzantijnse jurisdictie. Methodius ging snel terug naar
Moravia, maar liet wel enkele Slavische priesters en liturgische boeken in het
Slavisch achter. De keizer en de patriarch stichtten een Slavische school voor
missionarissen in Constantinopel, waarschijnlijk om de bekering van de Russen
voor te bereiden. In 885 overleed Methodius. Zijn dood betekende ook de
definitieve mislukking van zijn missie in Moravia. De situatie in Moravia was
grondig veranderd. De nieuwe heerser Svetopolk wou van de Moraavse Kerk een
Latijnse Kerk maken en verbood de Slavische liturgie. De leerlingen van
Methodius werden het land uitgezet of als slaven verkocht. De slaven werden
vrijgekocht door een gezant van de keizer en in Bulgarije ingezet om er de
Slavische ritus in te voeren. De Griekse clerus werd vervangen door de
Slavische. Vermits de meerderheid van de bevolking Slavisch was, vond de
Slavische ritus snel ingang. Op die manier bereikte Boris de eenheid in zijn
rijk, waar hij zo naar gestreefd had. Alle onderdanen werden verbonden door een
gemeenschappelijke religie, het christendom, dat net als in het Byzantijnse rijk
de vorm van een staatskerk aannam, en een gemeenschappelijke taal, het
Slavisch. Protobulgaren en Slaven waren één volk geworden, dat een Slavische
identiteit had, maar genoemd werd naar de Bulgaren. Het werk van Cyrillus en Methodius had de slavisering van het Bulgaarse volk
voltooid. Boris had zijn politieke doelen volledig bereikt en vond dat hij zijn rust nu
wel verdiend had. Hij trok zich in 889 terug in een klooster en wijdde zijn
leven aan devotie.
Boris was echter te snel op
pensioen gegaan. Onder zijn zoon Vladimir liet de Bulgaarse aristocratie nog
eenmaal haar tanden zien. De bojaren vonden in de nieuwe koning een
bondgenoot. Hij voerde de oude heidense verering opnieuw in. Boris zag vanuit
zijn klooster hoe zijn levenswerk, dat bijna voltooid was, ernstig bedreigd
werd. Hij besloot in te grijpen. Zijn prestige was zo groot dat hij
onmiddellijk terug de touwtjes in handen had. Hij zette Vladimir af en liet hem
blind maken. Hij riep een staatsraad samen, waarop zijn interventie religieus
gesanctioneerd werd en zijn jongere zoon Simeon verkozen werd tot nieuwe
koning. Met Simeon was er geen gevaar voor een restauratie van het heidendom:
hij was monnik. Boris maakte nu zelf zijn werk af door de Griekse taal in de
hele Bulgaarse Kerk te vervangen door het Slavisch (voordien waren er nog enkele
Griekse diocesen). De hoofdstad van het rijk werd verplaatst van Pliska, de
oude Bulgaarse hoofdstad, naar Preslav, vlakbij een klooster en christelijk
college. Het werk van Boris was nu definitief af. Hij trok zich terug in het
klooster en zou zich nooit meer bemoeien met staatszaken.
Een deel van de Slavische bevolking
kwam waarschijnlijk eerder in contact met ketterse dan met orthodoxe
missionarissen. De ketters hadden het voordeel dat hun dualisme theologisch
eenvoudiger was dan de orthodoxe doctrines. Uit twee bronnen blijkt duidelijk
de aanwezigheid van de ketters in Bulgarije: het antwoord van paus Nicolaas I
aan Boris (866) en het Griekse werk van Petrus Sicilus (±870),
opgedragen aan de nieuwe aartsbisschop van Bulgarije. Petrus waarschuwt de aartsbisschop dat de paulicianen in Tephrikè in contact
stonden met paulicianen in Thracië, die missionarissen uitzonden naar Bulgarije:
“Ik heb die godlozen dwaas horen onder woorden brengen dat ze volgelingen zouden
zenden naar Bulgarije om er enkelen van het orthodoxe geloof af te wenden en hen
naar hun onreine ketterij te lokken.
Het onmiddellijk gevolg van de
activiteit van de leerlingen van Methodius was de achteruitgang van de
ketterijen. Vóór 885 hadden de ketters geprofiteerd van de kloof tussen de
Griekse clerus en het Bulgaarse volk. Vanaf 885 werd de ketters de wind uit de
zeilen genomen door de invoering van de Slavische taal en een inheemse clerus. Vanaf de regering van Simeon (893) werden de eerste Bulgaarse bisschoppen
aangesteld. Een belangrijk obstakel tegen het christendom werd zo weggenomen. Het werk van Methodius en Cyrillus had echter ook haar schaduwzijde. De
Slavische vertaling van het Nieuwe Testament werd de basistekst van de
bogomilen. Dankzij verdere vertaalactiviteiten in het Slavisch kon bovendien
apocriefe literatuur in Bulgarije doordringen. Deze literatuur heeft
bijgedragen tot de ontwikkeling van de ketterse doctrines.
d.
Hoogtepunt onder Simeon de Grote
Simeon was opgevoed in
Constantinopel en werd daarom Hemi-Argus (half-Griek) genoemd. In
Constantinopel genoot hij een Byzantijnse opvoeding en geraakte hij vertrouwd
met de Griekse literatuur, maar hij kwam er ook in contact met Slavische
missionarissen. Hij zou zich in Bulgarije opwerpen als de beschermer van de
Cyrillisch-Methodische traditie. Als half-Griek verkoos hij echter een schrift
dat dichter aanleunde bij het Grieks: het Cyrillisch. De hoofdstad Preslav werd
het centrum van dit schrift en van de eerste bloeiperiode van de Bulgaarse
literatuur. Deze literatuur ontwikkelde en verrijkte de Slavische taal, en gaf
het op die manier een positie als literaire taal naast het Grieks en het
Latijn. We mogen deze “bloeiperiode” echter niet overschatten: men beperkte
zich tot vertalingen en compilaties en het leeuwendeel van de werken was
theologisch-liturgisch. Deze literatuur was onbruikbaar voor de Bulgaarse
clerus en niet toegankelijk voor het gewone volk.
Simeon had grootse ambities: hij
wou keizer worden. In de ideologie van het Byzantijnse keizerrijk was degene
die zich van Constantinopel meester kon maken, de rechtmatige troonopvolger. Het Byzantijnse rijk had reeds keizers van zeer verschillende volkeren gehad. De ambitie van Simeon was dus niet onmogelijk. In 913 was het moment gunstig:
de nieuwe keizer Constantinos VII Porphyrogenetos was nog minderjarig en had een
regent nodig. Simeon probeerde zijn dochter uit te huwelijken aan de keizer en
op die manier diens regent te worden, maar Romanos Lecapenos was hem met
hetzelfde plan te snel af. In 920 werd Romanos medekeizer. Er bleef Simeon
niets anders over dan Constantinopel te veroveren. Zijn ambities botsten echter
op de muren van Constantinopel. Vroegere usurpators (zoals Romanos Lecapenos)
hadden steeds de macht veroverd van binnen uit en moesten Constantinopel niet
veroveren. Simeon probeerde het rijk van buitenaf te veroveren en was dus
gedwongen Constantinopel innemen. Dit mislukte echter telkens. Hij slaagde er
wel in Bulgarije uit te breiden naar het zuiden ten koste van het keizerrijk en
naar het westen ten koste van Servië. Na een laatste mislukte poging om
Constantinopel in te nemen, riep hij zich in 925 zelf uit tot keizer van de
Romeinen en de Bulgaren. Deze stap werd gelegaliseerd door de paus. De nieuwe
keizer, door zijn onderdanen “tsaar” genoemd, verhief de aartsbisschop van
Bulgarije tot patriarch. Simeon stierf in 927 en werd opgevolgd door zijn
minderjarige zoon Peter. Zijn regent sloot onmiddellijk vrede met Byzantium. Peter huwde de kleindochter van de Byzantijnse keizer en werd erkend als tsaar. Ook het Bulgaarse patriarchaat werd erkend.
Tijdens de regering van de
half-Griek Simeon vond er een sterke hellenisering van Kerk en staat plaats. Daardoor ontstond een kloof tussen de vergriekste clerus en het gewone volk. De
hogere clerus bekommerde zich niet om het zielenheil van het volk. Bovendien
verzette een deel van de nog steeds aanwezige Griekse clerus zich tegen het
gebruik van het Slavisch in de liturgie. Volgens hen mocht God slechts in drie
talen vereerd worden: Hebreeuws, Latijn en Grieks. Deze conservatieve reactie
werd waarschijnlijk ingegeven door het feit dat ze hun exclusieve positie
bedreigd zagen door de vorming van een inheemse, Bulgaarse clerus. Dit was een
ideale voedingsbodem voor een religieus nationalisme in Bulgarije, dat steeds
meer gekoppeld werd aan de dualistische ketterij. Het bewijs voor de aanwezigheid van ketters tijdens de regering van Simeon wordt
geleverd door de polemiek van Johannes de Exarch (één van de eerste Slavische
schrijvers) tegen de “manicheeërs”. Als één van hun doctrines vermeldt hij dat de duivel de oudste zoon van God is. Dit was geen pauliciaanse doctrine, maar wel van de bogomilen. In deze periode
was dus de evolutie naar het bogomilisme volop bezig.
e.
Het einde van het Eerste Bulgaarse Rijk
De oorlogen van Simeon hadden
Bulgarije echter uitgeput. Gedurende de volgende veertig jaar was er vrede op
de Balkan: het Byzantijnse rijk vocht in het oosten en Bulgarije was te zwak om
een offensieve politiek te voeren. Het land werd regelmatig geplunderd door
Petsjenegen en Hongaren op weg naar Constantinopel. De externe passiviteit ging
gepaard met interne woelingen. Er vond een extreme byzantinisatie van het rijk
plaats. De tsaar imiteerde meer en meer de luxe van het hof in Constantinopel.
De clerus was verdeeld over de twee sociale standen: de hogere geestelijkheid,
of de zwarte clerus, behoorde tot de aristocratie en was vergriekst, terwijl de
lagere geestelijken, de witte clerus, slecht opgeleid waren. Er was een grote
bloei van het monnikenwezen, maar dit ging gepaard met vele wantoestanden: vele
mensen uit de lagere standen traden in het klooster in om de harde
levensomstandigheden te ontvluchten. Het zedenverval van de hogere clerus en de
monniken leidde tot gezagsverlies van de kerkelijke autoriteit. Dit wekte
anti-Griekse gevoelens op, waar de ketters handig op inspeelden. De ketterij
kreeg nu haar definitief karakter. Vanaf nu kunnen we met zekerheid over
“bogomilisme” spreken.
Op hetzelfde moment geraakte
Bulgarije gefeodaliseerd. De stand van de vrije boeren, die steeds het
talrijkst was geweest, droeg de lasten van de oorlog, terwijl de bojaren
profiteerden van de lusten. Vele vrije boeren werden afhankelijk van een
beperkte klasse van machtige landeigenaars. Het aantal lijeigenen nam snel toe. Dit kwam de productiviteit van de landbouw niet ten goede. Het gewone volk ging
er dus sociaal en economisch op achteruit. Men evolueerde naar een sociale
situatie, warbij een massa van Bulgaarse horigen de gronden bewerkte om de
aristocratie te verrijken. Deze maatschappelijke situatie was een zeer
geschikte voedingsbodem voor ketters. Het bogomilisme kreeg een sociaal aspect:
de bogomilen bestreden de sociale ongelijkheid en wierpen zich op als
verdedigers van het volk. De uitverkorenen onder de bogomilen gaven, in
tegenstelling tot de orthodoxe clerus, wel het voorbeeld van een zedig leven. Het bogomilisme was een uiting van ontevredenheid van de lagere klassen. Het
bogomilisme won snel aanhangers.
Het kon zich in Bulgarije
ontwikkelen ten gevolge van twee factoren. Enerzijds was er de aanwezigheid van
dualistische doctrines, die in Bulgarije waren binnengeslopen door de
kolonisatiepolitiek van de Byzantijnse keizers. Anderzijds was er de specifieke
sociale situatie in Bulgarije, die gunstig was voor de verspreiding van een
antikerkelijke leer.
Het bewijs voor de aanwezigheid van
de bogomilen is de brief (opgesteld in het Grieks) van patriarch Theophylactos
Lecapenos (933-956) aan tsaar Peter. Theophylactos was de zoon van keizer Romanos I Lecapenos en men zei van hem dat
hij meer geïnteresseerd was in de gezondheid van zijn racepaarden dan in
theologie. De brief was dus waarschijnlijk door een professionele clericus
opgesteld. Uit de brief blijkt dat er reeds een vroegere correspondentie vooraf
ging over een nieuw verschenen ketterij. Tsaar Peter maakte zich ongerust over
deze nieuwe beweging en had een brief met vragen naar Constantinopel gezonden. Theophylactos had een antwoord teruggezonden, maar dit bevredigde Peter niet. Hij stuurde een tweede brief, ditmaal met uitleg over de ketters en de
uitdrukkelijke vraag aan Theophylactos om zijn antwoord duidelijker en
gedetailleerder te formuleren. Al deze gegevens komen uit de laatste brief van
Theophylactos, die als enige bewaard is gebleven.
De nieuwe ketterij wordt omschreven
als een mengsel van manicheïsme en paulianisme. Theophylactos spreekt van een
oude ketterij, die in een nieuwe vorm verschenen is. Hij maakt een onderscheid
tussen drie soorten zondaars: de leiders, degenen die zich uit onwetendheid
hebben laten verleiden en tenslotte de mensen die enkel in aanraking zijn
gekomen met de ketters. Zij moeten allen boete doen en opnieuw gedoopt worden. Priesters moeten libelloi ondertekenen:
een geschreven veroordeling van de ketterij en belijdenis van het orthodoxe
geloof. Wie blijft volharden in de zonde en geen berouw toont, moet veroordeeld
worden door de staat. De wetten van de staat hielden de doodstraf voor ketters
in. Theophylactos waarschuwde Peter echter niet te driest te werk te gaan: er
zijn duidelijke bewijzen nodig vóór men een ketter veroordeelt. Bovendien kan
men de ketterij enkel effectief bestrijden door het volk voortdurend te
onderwijzen in het juiste geloof. De verlossing van de ketters, wat steeds
voorop moet staan, is mogelijk mits actieve prediking.
Vervolgens worden de belangrijkste
doctrines van de ketters veroordeeld. Ze geloven in twee principes: een goed
principe, dat het licht en de engelen heeft geschapen, en een slecht principe,
dat de duisternis en de mensen gecreëerd heeft. De duivel, het slecht principe,
is de heerser over de zichtbare werkelijkheid. De ketters verwerpen de wet van
Mozes. Ze veroordelen het huwelijk: het gebod tot vermenigvuldiging en
instandhouding van de mensheid, komt van de duivel. De geboorte, het leven, de
dood en de verrijzenis van Christus hebben niet werkelijk plaatsgevonden, maar
slechts in schijn. Het lichaam en bloed van Christus interpreteren zij
allegorisch als de evangeliën en de brieven van de apostelen. De Moeder Gods is
niet Maria, maar verwijst naar Jeruzalem. Na de geboorte van Christus had Maria
nog andere kinderen door contact met een man. Al deze doctrines zijn
pauliciaans, op één na: de verwerping van het huwelijk. Dit wijst op ascetische
tendensen, die de paulicianen vreemd waren. Het verbod op huwelijk komen we
tegen bij de messalianen en in sommige orthodoxe kloosters, die door hun drang
naar ascetisme afweken van de orthodoxe leer.
Nu kunnen we begrijpen wat
Theophylactos bedoelde, als hij de nieuwe ketterij “manicheïsme, vermengd met
paulianisme” noemde. Paulianisme was de ketterij van Paulus van Samosata. Paulus werd voor de stichter van het paulicianisme gehouden. Waarschijnlijk
heeft Theophylactos de zaken hier verward en bedoelde hij “paulicianisme”. In
zijn veroordeling van beruchte ketters, somt hij trouwens vooral paulicianen op:
Paulus en Johannes, de zoons van Kallinike; Constantinus/Silvanus, de Armeniër
van Mananalis; Simeon/Titus; Paulus de Armeniër en zijn zoons Theodorus en
Genesius; Joseph/Epaphroditus, Zacharias en Baanes; Sergius/Tychicus. Bogomil,
die door Cosmas als stichter van de bogomilen wordt beschouwd, werd niet in het
rijtje opgenomen. “Manicheïsme” kon in de Middeleeuwen op elke ketterij slaan, maar betekent hier
waarschijnlijk: messalianisme. Daarom is het dus tegelijk een oude en een
nieuwe ketterij: ze is oud, omdat haar bestanddelen (messalianisme en
paulicianisme) reeds geruime tijd bestonden, maar de fusie tussen beide was
geheel nieuw. Zo ontstond er een nieuwe ketterij, die later de naam
“bogomilisme” zou krijgen.
In 965 kwam er een einde aan bijna
veertig jaar vrede. De nieuwe keizer Nicephoros II Phocas eiste van de Bulgaren
hulp in de strijd tegen de Hongaren. Tsaar Peter sloot echter een overeenkomst
met de Hongaren, waarbij de Hongaren vrije doortocht kregen op weg naar
Byzantijns gebied, indien ze zich in Bulgarije koest hielden. Toen dan later op
het jaar een Bulgaars gezantschap in Constantinopel verscheen om het jaarlijks
tribuut op te halen, liet Nicephoros de Bulgaarse gezanten afranselen.
Nicephoros wou met Bulgarije afrekenen en sloot een verdrag met Svetoslav, de
vorst van Kiev. Svetoslav viel Bulgarije binnen in 968 en versloeg de Bulgaarse
legers. Midden in de oorlog, in 969, stierf Peter. Hij werd opgevolgd door
zijn zoon Boris. In hetzelfde jaar werd Nicephoros vermoord en opgevolgd door
Johannes Tzimisces. Hij begreep dat Rusland heel Bulgarije zou veroveren indien
hij niet ingreep. Byzantium trok nu op tegen zijn vroegere bondgenoot. In 971
waren de Russen verjaagd en was Byzantium meester van Oost-Bulgarije. Tsaar
Boris II moest troonsafstand doen ten voordele van de Byzantijnse keizer. Het
Bulgaarse patriarchaat werd afgeschaft. Oost-Bulgarije werd ingelijfd als
Byzantijnse provincie. Enkel in West-Bulgarije konden de Bulgaren voorlopig
standhouden.
2. Het bogomilisme volgens Cosmas
De belangrijkste bron voor de
prille geschiedenis van het bogomilisme in Bulgarije is het traktaat (of
Slovo) van priester Cosmas, geschreven in het Oud-Slavisch. Tenminste, als we de traditionele visie hanteren dat het traktaat in de tiende
eeuw geschreven is. Sommige auteurs zijn geneigd er een latere datum aan toe te
kennen. Omdat deze discussie essentieel is voor de interpretatie van het
bogomilisme, zal ik er later uitvoerig op terugkomen. Ik zal hier de volgende, vage datum hanteren: het traktaat werd geschreven na
969 (de dood van tsaar Peter) en vóór de brief van Euthymios van Peribleptos
(midden elfde eeuw).
In zijn inleiding stelt Cosmas dat
elke zonde van de mens vergeven wordt door God, behalve de zonde tegen de
Heilige Geest. Dit is de zonde die door ketters bedreven wordt. Goede
christenen zijn immers geïnspireerd door de Heilige Geest. Ketters laten zich
niet leiden door de Heilige Geest, maar door de duivel. Cosmas maakt een
onderscheid tussen twee soorten ketterijen. Eerst waren er de ketterijen, die
een onorthodoxe doctrine aanhingen in verband met de Heilige Drievuldigheid. Dit waren de ketterijen van Arius, Sabellius en Macedonius, die veroordeeld
werden op het concilie van Nicaea (325). Recentelijk is er een nieuwe ketterij
opgedoken, die de schepping van de wereld anders verklaart dan de orthodoxe
christenen. Deze nieuwe ketterij werd voor het eerst in Bulgarije gepredikt
door Bogomil tijdens de regering van tsaar Peter (927-969). Cosmas wil met zijn
traktaat de doctrines van de ketters openbaar maken, om de mensen te wapenen
tegen hun verleidelijke denkbeelden. De ketters doen zich immers steeds voor
als goede christenen en nemen deel aan de orthodoxe gebruiken: ze gaan naar de
kerk, kussen het kruis, bidden vijf maal per dag, ontvangen het doopsel en gaan
te communie. Dit uiterlijk conformisme heeft twee goede redenen. Enerzijds
hebben ze angst voor vervolgingen; anderzijds geeft hun dit de kans om heimelijk
hun doctrines te verspreiden onder onwetende christenen en mensen tot hun
opvattingen te bekeren.
Cosmas waarschuwt ons dat hij geen
volledig verslag van de ketterse doctrines beoogt. “Het is zelfs niet gepast om
hier voor u hun dwalingen aan te klagen…maar toch zal ik er iets van zeggen en
de rest verzwijgen. Want wat ze in het geheim voortbrengen, is zelfs
schandelijk om te zeggen.” De laatste zin is een citaat uit de bijbel. De tekst van Cosmas is doorspekt
met bijbelcitaten, zodat het niet altijd gemakkelijk is om zijn kerngedachte
vast te houden. Bovendien citeert hij niet alleen uit de bijbel, hij alludeert
er ook vaak op. Cosmas heeft nog een andere goede reden om niet in detail te
treden: zijn publiek zou verward kunnen geraken: “…wanneer men een ketter wil
onderwijzen, moet men niet enkel overwegen dat men er niet zal in slagen, maar
kan men ook nog de geest verward maken van iemand die een zwakke geest heeft.”
Het bogomilisme is dus een nieuwe
ketterij omdat het een nieuw verhaal over de schepping van de wereld vertelt. De zichtbare wereld is volgens de bogomilen namelijk niet geschapen door God,
maar door de duivel. Hij heeft ook de mens geschapen. Het bewijs van de
schepping van de wereld door de duivel halen ze uit het verhaal van de bekoring
van Jezus door de duivel. Indien Jezus Hem vereert en zijn dienaar wordt, belooft de duivel Hem alle
koninkrijken ter wereld. Dit bewijst dat hij almachtig is in deze wereld en
vrij over de hele schepping kan beschikken. Alles bestaat slechts door de wil
van de duivel: hemel, zon, sterren, lucht, de aarde, de mens, kerken en
kruisen. Al wat volgens de christenen aan God toebehoort, schrijven de
bogomilen toe aan de duivel.
De bogomilen postuleren dus een
goed principe, God, naast een slecht principe, de duivel. Zij zijn geen
absolute dualisten, want de duivel is duidelijk ondergeschikt aan God. Hij is
namelijk de zoon van God. Op die manier interpreteren ze de parabel van de twee
zoons, verteld door Christus. Christus is de oudste zoon en de jongste zoon, die zich van zijn vader afgewend
heeft, is de duivel. Sommige bogomilen noemen de duivel een gevallen engel,
anderen noemen hem de econoom van de ongelijkheid. Deze benamingen verwijzen
naar de mythe van de val van de engelen en de schepping van de wereld, maar
Cosmas vertelt dit verhaal niet. Cosmas verwijst wel impliciet naar deze mythe
wanneer hij zegt dat “de hoogmoed zelfs de engelen van de hemel kan doen
neerstorten.”
Cosmas spreekt steeds over “de duivel” en soms noemt hij hem “Mammon”, maar
nooit “Satanaël”, Samaël” of “Satan”, zoals hij in latere bronnen (en in de
scheppingsmythe) werd genoemd.
De bogomilen waren, net als de
paulicianen, iconoclasten. Ze rechtvaardigden hun houding met de woorden van de
apostel Paulus: “We moeten geen gouden of zilveren macht erkennen, gemaakt door
de kunst van mensen.” Volgens de bogomilen betroffen de woorden van de apostel
ook de beelden of iconen van de christenen. De iconen van de christenen zijn
evengoed idolen: “Wie iconen vereert, is gelijk aan de heidense Grieken.” Ze vereerden evenmin heiligen of hun relieken. De mirakels, die de relieken van
heiligen kunnen veroorzaken, zijn niet mogelijk door de macht van de Heilige
Geest, maar werden door de bogomilen toegeschreven aan de duivel. “De mirakels
vinden niet plaats volgens de wil van God, maar het is de duivel die dat doet om
de mensen te verleiden.” De mirakels van Christus zelf moeten allegorisch
geïnterpreteerd worden: “Nadat de zonden genezen waren, hebben de evangelisten
hen als ziekten voorgesteld.” Cosmas geeft één voorbeeld van dit soort
interpretaties. De vijf broden waarmee een ganse massa gevoed werd, staan voor
de vier evangelies en de Handelingen van de Apostelen.
De bogomilen waren erger dan de
iconoclasten: ze vereerden zelfs het kruis niet. “De ketters breken kruisen af
en maken er werktuigen van.” Ze begrepen niet dat orthodoxe christenen het
kruis konden vereren. Het kruis was de vijand van de ware christen, want
Christus was gestorven aan het kruis. “Als iemand de zoon van de koning doodt
met een stuk hout, hoe zou dat hout dan dierbaar kunnen zijn aan de koning?” was
hun redenering. Christus was niet uit vrije wil gestorven en evenmin voor het heil van de
mensheid. Hij was onder dwang gestorven aan het kruis. In de praktijk bezochten
de ketters echter kerken, bogen ze voor het kruis en voor iconen, om hun ware
overtuiging te verbergen.
De bogomilen verwierpen ook de rest
van de christelijk-orthodoxe traditie. De eucharistie werd niet ingesteld door
een gebod van God. Het brood en wijn van de eucharistie veranderen niet in het
lichaam en bloed van Christus. Ze interpreteerden de eucharistie allegorisch:
het brood staat symbool voor de vier evangelies en de wijn voor de Handelingen
van de Apostelen. Ook de christelijke doop werd door hen niet aanvaard. Meer
zelfs, “ze hebben afschuw van kleine kinderen die men doopt.” Ze hadden geen
priesters om hen te dopen. De hele kerkelijke liturgie, met feesten, gebeden en
sacramenten, was niet ingesteld door de apostelen, maar door Johannes
Chrysostomos. Dit is voor Cosmas onaanvaardbaar. Tussen de incarnatie van
Christus en Johannes Chrysostomos liggen meer dan 300 jaar. De Kerk kon toch
niet zo lang zonder liturgie en eucharistie gebleven zijn? “Hoe kunnen jullie
dan zeggen dat de communie en de religieuze eredienst niet van goddelijke
traditie zijn?” Er bestond voor hen maar één geldig gebed, het “Onze Vader”,
het gebed dat Christus zelf aan de christenen had geleerd. Christus had gezegd:
“En gebruik niet te veel woorden in jullie gebeden, maar: Onze Vader die in de
hemelen zijt.” “Alles wat ze lezen, verdraaien de ketters: de overdaad aan woorden duidde op de
erediensten en andere gebeden die plaats hadden in de kerken.”
De bogomilen verwierpen het Oude
Testament. De wet van Mozes moest verworpen worden, want ze was tegengesteld
aan de wet van de apostelen. De bogomilen beweerden dat ze volgens de wet van
de apostelen leefden en niet volgens de wet van Mozes. De profeten spraken uit
eigen naam, en niet onder inspiratie van de Heilige Geest. De woorden van de
profeten hebben de komst van Christus niet voorspeld en zijn dus niet heilig. Johannes de Doper, “degene voor wie Christus zijn goddelijke hoofd gebogen heeft
om van zijn hand het doopsel te ontvangen”, was de voorloper van de Antichrist. We kunnen veronderstellen dat de reden is dat Johannes de christenen een
onwaardig doopsel geschonken heeft, maar dit wordt door Cosmas niet expliciet
vermeld. De Maagd Maria wordt net als de heiligen terzijde geschoven. Haar
vereren helpt niet om het heil te bereiken.
De ketters onderwierpen zich niet
aan de kerkelijke hiërarchie. De bogomilen beschuldigden de priesters ervan
niet het goede voorbeeld te geven: “…maar de priesters doen het tegengestelde
(van wat Paulus voorschreef), ze bezatten zich, ze roven en ze hebben andere
geheime gebreken, en er is niemand om hen dit te verbieden…De
bisschoppen…verbieden de priesters niet te zondigen.” Dit wordt niet
tegengesproken door Cosmas: “Zelfs als men vecht, zal men niet gekroond worden
als men niet volgens de regels vecht.” Geeft hij daarmee toe dat de kritiek van de ketters op de clerus eigenlijk
terecht is? Ja, zo zal blijken in het tweede deel van zijn traktaat. Daar
klaagt hij zelf de wantoestanden binnen de clerus aan. Maar “zelfs als de
priester een zondaar is, dan is hij tenminste nog geen ketter.” Zondige
priesters plegen tenminste geen blasfemie, zoals ketters doen. Cosmas probeert
het gezag van de Kerk te herstellen door te waarschuwen dat ook slechte
priesters moeten geëerd worden, want ook de apostelen gehoorzaamden aan de
wetgeving van Mozes.
Karakteristiek voor de bogomilen
was hun neiging naar ascetisme. Zo gold bij hen het verbod om te huwen, vlees
te eten en wijn te drinken. Het is de duivel, Mammon, en niet God, die de
mensen bevolen heeft vrouwen te nemen, vlees te eten en wijn te drinken. “Ze
geven zichzelf uit voor bewoners van de hemelen, terwijl ze de mensen die
trouwen en in de wereld leven dienaars van de Mammon noemen.” Nu begrijpen we
ook waarom ze zich vol afschuw afwenden van kinderen en hen “kinderen van de
Mammon” noemen: zij zijn het levende bewijs dat hun ouders zich niet aan het
huwelijksverbod hebben gehouden. Het gaat hier natuurlijk zozeer om de formele
act van de huwelijksgelofte, maar om de geslachtsdaad. Huwelijk, vlees en wijn
zijn onzuiver, omdat dit alles geschapen is door de duivel.
Over de eigen rituelen van de
bogomilen zegt Cosmas bijzonder weinig. Ze bidden vier maal per dag en vier
maal per nacht in het geheim. Ze hielden zich ook aan de vijf gebeden per dag
die de orthodoxe christenen moesten verrichten, maar dan met open deuren in
plaats van met gesloten deuren. “Terwijl ze bidden, maken ze geen kruisteken op
hun gelaat.” Ze vierden geen kerkelijke feestdagen en hielden zich niet aan de
rust op zondag. Deze heilige dagen waren ingesteld door mensen en niet
voorgeschreven in de evangelies. Op die dagen vastten ze en deden aan
handenarbeid. Het enige sacrament van de bogomilen dat Cosmas bespreekt, is de biecht. Hij
zegt echter enkel dat “de ketters elkaar de biecht afnamen” en niet bij
priesters te biecht gingen. Deze praktijk gebeurde niet enkel onder mannen,
maar ook onder vrouwen.
Cosmas vermeldt in zijn traktaat nergens het bestaan van een ketterse clerus.
De ketterij had een belangrijke
sociale component. De bogomilen weigerden te werken of zich te onderwerpen aan
de autoriteiten. In de woorden van Christus vonden ze een oproep niet aan
handenarbeid te doen: “Maak u geen zorgen over wat u zal eten of wat u zal
drinken of waarmee u zal gekleed gaan.” “Daarom zijn sommigen onder hen
leeglopers en willen ze hun handen aan geen enkele taak vuil maken: ze gaan van
huis tot huis en verkwisten andermans goed, dat van de mensen die ze misleid
hebben.” Het bogomilisme verzette zich tegen de rijken, de autoriteiten van het
land. “Ze leren hun aanhangers zich niet te onderwerpen aan de autoriteiten, ze
beledigen de rijken, ze haten de keizers, ze lachen met hun oversten, ze
beledigen hun heren, ze menen dat God afschuw heeft voor degenen die werken voor
de keizer en ze dragen elke dienaar op niet te werken voor zijn meester.” Dit zorgde voor heel wat interne onrust in Bulgarije. Cosmas probeert het gezag
te herstellen en waarschuwt de ketters dat de macht van God komt. Wie zich niet
onderwerpt aan de autoriteiten, verzet zich tegen de geboden van God.
De doctrines van de bogomilen,
zoals ze geschetst worden door Cosmas, vertonen nog sterke gelijkenissen met het
paulicianisme. De bogomilen hadden het belangrijkste kenmerk, het dualisme,
van de paulicianen overgenomen. De zichtbare wereld was geschapen door de
slechte god. Beide ketterijen geloofden dat de verlossing door Christus niet in
zijn kruisdood lag, maar in zijn leer. Ze verzetten zich tegen de orthodoxe
Kerk, tegen haar clerus, liturgie en sacramenten. Het Oude Testament was het
verhaal van de duivel en werd terzijde geschoven. Er waren ook enkele
verschillen tussen beide bewegingen. Het dualisme van beide ketterijen was
gematigd, maar bij de bogomilen was dit nog meer uitgesproken. Zij geloofden
dat de duivel de zoon van God was, waardoor uiteindelijk God de oerbron was van
al het bestaande. Dit geloof was misschien reeds in Bulgarije aanwezig vóór de
bogomilen, want het werd reeds vermeld door Johannes de Exarch. Het is ook
mogelijk dat Johannes deze doctrine bij “Protobogomilen” vond. Ook de identificatie van de duivel met de “gevallen engel” en de “econoom van de
onrechtvaardigheid” was nieuw. Bij patriarch Theophylactos vonden we geen
gematigd dualisme: hij postuleerde twee principes, onafhankelijk van elkaar. Cosmas is echter betrouwbaarder: de informatie van de Byzantijnse patriarch was
indirect en steunde op het traktaat van Peter van Sicilië. We mogen dus
aannemen dat het bogomilisme aanvankelijk gematigd dualistisch was. Over het
docetisme, die andere belangrijke doctrine van de paulicianen, vinden we niets
bij Cosmas. Het wordt wel uitdrukkelijk vermeld door Theophylactos en was
waarschijnlijk inderdaad aanvaard als doctrine door de bogomilen. De beperking tot één enkel gebed (Onze Vader) gold nog niet voor de
paulicianen. Tenslotte legden de bogomilen niet exclusief de nadruk op de
brieven van Paulus, maar was het hele Nieuwe Testament belangrijk.
Het grote verschil tussen
bogomilisme en paulicianisme lag echter in het ascetisme van de bogomilen. Het
dualisme van de bogomilen had ethische implicaties, en dit was niet het geval
bij de paulicianen. Omdat de hele werkelijkheid geschapen was door de duivel,
moest contact met de materie vermeden worden om God te bereiken. Waar kwamen
deze ascetische tendensen vandaan? Vaak wordt er verwezen naar het
messalianisme, waar ascetisme inderdaad centraal stond. Vele Byzantijnse
schrijvers hebben bogomilisme vereenzelvigd met messalianisme. “Bogomilen” was
niet de enige naam die aan deze ketters gegeven werd. Ze werden met
verschillende namen aangeduid, waaronder “messalianen”. Het messalianisme was
echter nogal een duistere beweging en het lijkt erop dat er na de zevende eeuw
geen georganiseerde messaliaanse gemeenschap meer bestond. Natuurlijk kunnen er
nog groepen messalianen zijn rondgetrokken en invloed hebben uitgeoefend op de
bogomilen, maar dit is nauwelijks aan te tonen.
Misschien moeten we helemaal niet
naar andere ketterijen kijken om het ascetisme van de bogomilen te verklaren. De oorsprong zou ook bij het orthodoxe monnikenwezen kunnen liggen. De
levensstijl van de ketters geleek immers sterk op de levensstijl van orthodoxe
monniken: regelmatig bidden, celibatair blijven, zich onthouden van vlees en
wijn. Het ging er in beide gevallen om het leven van Christus na te volgen.
Misschien was het ascetisme van de bogomilen de pervertering van het monastieke
ideaal. Ook bij vele orthodoxe monniken bestond er op zeker moment de neiging tot
overdrijving van het ascetisch ideaal, zoals door Cosmas betuigd wordt. In het
tweede deel van zijn traktaat richt hij zich tot de orthodoxe christenen, onder
wie er ook vele dwalen. “We horen zeggen, dat ook enkelen van de onzen, goede
christenen, dwalen over het vraagstuk van het wettelijk huwelijk en degenen die
in de wereld leven het heil niet waardig achten.” Ook deze christenen meenden dat het heil slechts kon bereikt worden indien men
zich wereldse goederen onthield en zo min mogelijk met materie in aanraking
kwam. Het is hier niet duidelijk hoe we de oorzakelijkheid moeten zien. Hebben
de bogomilen hun ascetische tendensen ontleend aan deze afgedwaalde monniken of
hebben de monniken hun ascetisme geradicaliseerd onder invloed van de
bogomilen? We kunnen hoogstens stellen dat in Bulgarije ten tijde van Cosmas de
gedachte dat alle materie slecht was en men ascetisch moest leven om het heil te
verdienen, erg verspreid was.
Cosmas maakt nergens in zijn
traktaat een uitdrukkelijk onderscheid tussen de ketters. Toch alludeert hij
soms op een verdeling van de ketters in twee groepen. Het duidelijkst doet hij
dit in de volgende passage: “Daarom zijn sommigen onder hen leeglopers en willen
ze hun handen aan geen enkele taak vuil maken: ze gaan van huis tot huis en
verkwisten andermans goed, dat van de mensen die ze misleid hebben.” Waarschijnlijk bestonden er toen reeds twee groepen binnen de bogomilen, zoals
dat ook het geval was bij de Byzantijnse bogomilen van de elfde, twaalfde eeuw. Er was een beperkte kring van leiders, die geschoold waren en over de ideologie
van de beweging waakten. Zij leefden strikt ascetisch. Daarnaast was er de
grote massa van gewone gelovigen, die waarschijnlijk weinig afwisten van
doctrinaire kwesties en zich vooral bekeerd hadden uit onvrede met de orthodoxe
Kerk en de feodale heersers. Zij leefden ongetwijfeld niet ascetisch: het lijkt
in elk geval onmogelijk dat alle bogomilen zich aan het huwelijksverbod hielden
en zich onthielden van handenarbeid. Zij vingen de leiders op, voedden hen en
maakten het hen mogelijk te leven zonder te werken. Dit onderscheid binnen de
beweging is een sterk argument tégen de beïnvloeding van de bogomilen door de
messalianen. Het onderscheid tussen ascetisch levende en niet-ascetisch levende
ketters bestond bij de messalianen ook, maar dan net omgekeerd: de gewone
gelovigen moesten ascetisch leven, terwijl de leiders zich alles konden
veroorloven.
Wanneer we nu het geheel van de
doctrines van de bogomilen, geschetst door Cosmas, overschouwen, is het
opvallend dat Cosmas vooral focust op de negatieve aspecten van de ketterij en
weinig vertelt over hun positieve, doctrinaire standpunten. Hij vermeldt dat de
bogomilen niét de orthodoxe sacramenten tot zich nemen, niét de orthodoxe
liturgie volgen en zich niét onderwerpen aan de orthodoxe clerus. Hij zegt
nauwelijks iets over hun eigen sacramenten, liturgie en clerus. Dit ligt niet
louter aan Cosmas, maar ook aan het karakter van de ketterij zelf. Het
bogomilisme profileerde zich als een protestbeweging tegen de orthodoxe Kerk en
de wereldlijke autoriteiten. Ze affirmeerde zich in de eerste plaats door zich
af te zetten tégen de heersende klasse en door de wantoestanden aan te klagen. Dit verklaarde ook voor een belangrijk deel haar populariteit.
Angelov noemt het bogomilisme een
sociale beweging in de vorm van een ketterij. Het was een uiting van protest
van de onderdrukte Bulgaarse boeren tegen de rijkdom en luxe van de hogere
klassen, dat in een religieuze vorm werd gegoten. Zonder zover te willen gaan als Angelov, kunnen we toch vaststellen dat de
ketterij een belangrijke sociale component had, waaraan ze waarschijnlijk haar
populariteit te danken had. Cosmas gaat de wantoestanden, aangeklaagd door de
ketters, niet uit de weg en legt de vinger op de zere wonde. Het verval van de
clerus wordt door hem uitvoerig geschetst.
Onder de monniken waren er vele die
er ketterse doctrines op nahielden en dachten dat de verlossing niet mogelijk
was voor mensen die in de wereld leefden. Er waren ook vele monniken in het
klooster getrokken om aan de hardheid van het bestaan te ontsnappen. Ze misten
een ware roeping en vonden allerlei uitvluchten om de kloosterregels te kunnen
ontlopen. Er waren zelfs monniken “die volgens hun eigen fantasie wilden leven,
hun kloosters verlieten zonder er toe gedwongen te worden, en op eigen gezag
andere kloosters stichtten, waar ze hun eigen zeden als wet nemen.” Deze
monniken leefden in luxe: “Men kan de feestmaaltijden en de vermakelijkheden van
dat soort monniken niet navertellen.” Dan was er nog het probleem van de
monniken-kluizenaars. Zij waanden zich heiligen, genoten een groot prestige,
maar “ze worden gevoed als zwijnen en ze blijven in hun kamer om zich te goed te
doen aan de levensmiddelen die men hen brengt.”
De seculiere clerus was er al even
erg aan toe: “Laten we niet ongehoorzaam zijn aan de woorden van de Heer,
vervuld van hoogmoed door onze hoge functies of onzinnig geworden door de omvang
van onze rijkdommen.” Cosmas richt zich tot de bisschoppen als hun gelijke; hij moet dus een hoge
functie bekleed hebben. Kerkelijke ambten werden vaak op een corrupte manier
toegekend: “Hoe kan het woord van God toegediend worden door een onwetende die,
zonder de wet te kennen, als wetgever werd aangesteld, en vaak door corruptie,
dat de nieuwe idolatrie is?” Er zijn teveel slechte bisschoppen, die enkel profiteren van hun functie en geen
zorg dragen voor de christenen, die hen toevertrouwd zijn. “O herders van de
spirituele schapen van God, die de melk en de wol van hun kudde nemen, en die
geen zorg dragen voor de schapen, welk antwoord zullen wij geven op het oordeel
van God?” Cosmas neemt de parabel van de talenten als beeldspraak. De slechte
bisschoppen verbergen hun schat, terwijl de goede bisschoppen de schat, die ze
van God gekregen hebben, vergroten.
De schat van de bisschoppen is het
Woord Gods. Zo komen we aan de kerngedachte van Cosmas: door het Woord van God
voor zich te houden en het niet te verkondigen aan hun medechristenen, zijn de
bisschoppen (en bij uitbreiding alle rijken) verantwoordelijk voor de
succesvolle verspreiding van de ketterij. “De goede herder geeft zijn leven
voor de schapen; maar hij die huurling is en geen herder, aan wie de schapen
niet toebehoren, als hij de wolf ziet komen, verlaat hij de schapen en redt
zichzelf; en de wolf rooft de schapen, en hij jaagt ze uiteen.” Waar komen de
wolven, dit wil zeggen de ketters, vandaan? “Is het niet omdat men geen
onderricht krijgt van de bisschoppen?” Cosmas hamert er telkens weer op dat het
gebrek aan onderricht de hoofdoorzaak voor het succes van de ketterij is. “Maar
waar ontspringt dit alles? Is het niet duidelijk dat het ontspringt door niet de
Schrift te lezen en door het verzuim van de priesters?”
Cosmas laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “Want het zijn wij die
verantwoordelijk zijn voor de zonden van ons volk en van zijn dood.” Daarom
roept hij de clerus dringend op zich van haar taak te kwijten. “Maar als we het
volk dat ons is toevertrouwd in de vrees van God, onderwijzen, dan zijn we echt
bisschoppen en opvolgers van de heilige apostelen van God.”
Niet alleen de rijke clerici, maar
ook de rijke leken zijn schuldig. Zij leven een luxueus leventje en denken dat
ze geen enkele verplichting hebben. “Het is niet op die manier dat ze christenen
zijn, als ze wijn drinken met muziek, dansliedjes en diabolische gezangen.” Cosmas alludeert op de grote kloof tussen arm en rijk: “Want er zijn sommige
rijken die zich vergissen in hun eigen woorden en die zich in hun dwaasheid
verheffen boven de arme.” Cosmas wijst er de rijken op dat ook zij plichten hebben. Zij beschikken over
het Oude en Nieuwe Testament en kunnen lezen. Zij houden deze schat echter
verborgen voor hun arme medechristenen en zijn dus even verantwoordelijk als de
lakse clerici. “Verberg de woorden van God niet voor degenen die ze willen lezen
en kopiëren, maar wees integendeel gelukkig dat ze je broeder het heil
verschaffen: ze zijn niet geschreven opdat we ze in ons hart zouden verbergen en
evenmin in onze kamer.”
De houding van de orthodoxe clerus
stond in schril contrast met het sobere, voorbeeldige leven van de ketters, moet
Cosmas toegeven: “…zo ook verbergen de ketters hun gif onder nederigheid en
hypocriete onthoudingen, of nog, door in hun handen het Evangelie te houden en
er een goddeloze interpretatie aan te geven, proberen ze door dit middel de
mensen te vangen en hen in hun eigen verderf mee te slepen.” Cosmas noemt hun levenshouding weliswaar hypocriet, maar hij kan niet ontkennen
dat ze ascetisch leven en dat dit bewondering opwekt bij het Bulgaarse volk. Ongetwijfeld gaat het hier opnieuw enkel om de elite. Het zijn ook deze ketters
die vervolgd werden, waardoor ze een aureool van martelaren kregen. “Velen
weten inderdaad niet wat die ketterij voorstelt: ze denken dat die mensen lijden
voor de rechtvaardigheid en dat ze een beloning van God zullen ontvangen voor de
ketens en gevangenisstraffen die ze ondergaan.” Cosmas is de enige bron waaruit we kunnen opmaken dat tijdens de regering van
tsaar Peter de bogomilen actief vervolgd werden. We mogen echter niet vergeten
dat reeds patriarch Theophylactos Peter erop had gewezen dat hij in laatste
instantie de ketters van staatswege kon vervolgen. Misschien had Peter deze raad
wel ter harte genomen.
Het beeld dat door Cosmas geschetst
wordt, is nu volledig. Bulgarije maakte een moeilijke periode door, met een
zware sociale crisis. De kloof tussen de arme boeren en de rijke
grootgrondbezitters groeide. Het volk kon niet rekenen op de orthodoxe clerus:
de Kerk maakte zelf een morele crisis door. Ze kon enkel terecht bij de
bogomilen. De bogomilen verzetten zich tegen de dominantie van de rijke edelen
en de orthodoxe clerus, en klaagden de wantoestanden aan. Bovendien gaven zij
wel het goede voorbeeld: ze leefden ascetisch en verkondigden het Nieuwe
Testament. De vervolgingen vanwege de Bulgaarse overheid konden slechts een
averechts effect hebben. Het deed de aversie voor de elite en de populariteit
van de bogomilen enkel toenemen. Cosmas besefte dit zelf zeer goed en roept
nergens op de ketters te vervolgen. Men moet de orthodoxe gelovigen onderricht
geven en ondertussen blijven proberen de ketters te bekeren. “En als jullie een
voorstander van de ketterse doctrine herkennen en als iemand onder jullie
onderricht kan geven, onderwijs hem dan en breng hem terug op het rechte pad.”
We kunnen uit het traktaat van
Cosmas concluderen dat het bogomilisme een samenvoeging was van twee
verschillende aspecten. Enerzijds was er het doctrinaire aspect, de
dualistische kosmologie. Dit was van vreemde origine en de erfenis van vroegere
christelijke ketterijen. Daarnaast was er het tweede aspect, dat gebonden was
aan de concrete, historische, Bulgaarse omstandigheden: de ontevredenheid over
de orthodoxe Kerk en de Bulgaarse autoriteiten. Men zette zich af tegen de luxe
van de orthodoxe clerus en keerde terug naar de ascetische zuiverheid van de
apostelen. Deze twee aspecten konden gemakkelijk samengevoegd worden. De
strijd tegen de machtigen kon vertaald worden als de kosmische strijd tussen de
goede en de slechte god; ascetisme was nodig, omdat alle materie geschapen was
door de slechte god. Oude elementen werden in een nieuwe context geplaatst en
daaruit ontstond een nieuwe ketterij, het bogomilisme.
3. Pope
Bogomil
Wie was pope
Bogomil, van wie de naam van de ketterij is afgeleid? Zeer weinig is geweten
van hem. Bogomil wordt vermeld in het synodicon van Boril en in Russische
literatuur. Al deze bronnen nemen echter bijna letterlijk de woorden van Cosmas
over. De enige directe aanwijzing over Bogomil vinden we dus in het traktaat
van Cosmas: Bogomil was een priester, die ketterse doctrines begon te
verkondigen in Bulgarije tijdens de regering van tsaar Peter; zijn naam betekent
“het medelijden van God waardig”. In de Byzantijnse traditie wordt Bogomil nooit
vermeld.
Meer zelfs, Euthymios van Peribleptos zegt expliciet dat de naam van de ketterij
niet van een ketterleider is afgeleid.
Kiselkov heeft aan deze
problematiek een artikel gewijd, dat samengevat wordt door Dando. Ten eerste merkt hij op dat er geen geschreven of mondelinge traditie bestaat
over het leven van Bogomil. Vele ketterbestrijders hebben over de bogomilen
gesproken zonder Bogomil te vermelden. Cosmas doet net het omgekeerde: hoewel
hij Bogomil de verspreider van een ketterij noemt, noemt hij de aanhangers van
de ketterij geen “bogomilen”. Hij spreekt steeds over “ketters”. Cosmas lijkt
dus niet zeker te zijn van het bestaan van Bogomil of van de afleiding van
“bogomilen”. De term “bogomilen” kan volgens Kiselkov trouwens niet afgeleid
zijn van Bogomil. Volgens de wetten van de Bulgaarse taal zouden de leerlingen
van Bogomil “bogomilisten”, “bogomilovtsi”, “bogomiltsi” of “bogomiliani” moeten
heten. De term “bogomilen” werd reeds in 869 in Italië teruggevonden, lang vóór
het tijdperk van tsaar Peter.
Bogomil wordt door Theophylactos niet in de lijst van ketterleiders
opgenomen, hoewel de patriarch zijn brief naar tsaar Peter schreef, onder wiens
regering Bogomil zou verschenen zijn. De Byzantijnse en westerse auteurs die
over het bogomilisme schrijven, vermelden Bogomil evenmin. Zigabenus onderzoekt
de etymologie van “bogomilen” zonder naar Bogomil te verwijzen. Als stichter
van een belangrijke ketterij moet Bogomil volgens Kiselkov toch Grieks hebben
gekend en literaire activiteiten ontplooid hebben. Er zijn echter geen
geschriften van hem bewaard.
Kiselkov besluit dus dat we over
Bogomil eigenlijk niets weten. Hij trekt daaruit de conclusie dat pope Bogomil
een legendarisch personage is en niet werkelijk bestaan heeft. Hoe is dit
personage dan ontstaan? We moeten de richting van de afleiding omdraaien: de
bogomilen zijn niet naar Bogomil genoemd, maar Bogomil naar de bogomilen. Kiselkov wijst erop dat de term “bogomilen” reeds gebruikt werd vóór het
tijdperk van tsaar Peter. In 869 werd de naam teruggevonden in Italië op een
Latijnse bijbel. Op een icoon in de kerk van Ochrid wordt Naum, leerling van
Cyrillus en Methodius, achtervolgd door bogomilen. Deze scène werd lang als
anachronistisch beschouwd, maar Kiselkov gelooft dat de leerlingen van Cyrillus
en Methodius het reeds van bij het begin van hun activiteiten in Bulgarije
moesten opnemen tegen ketters, die “bogomilen” genoemd werden. De eerste leden
van de ketterij zagen zich als de verdedigers van het ware christendom en
noemden zich “vrienden van God” (=bogo mili;
letterlijk: het medelijden van God waardig). Deze naam werd overgenomen door
hun tegenstanders. Later werd een stichter van de ketterij verzonnen, Bogomil,
waarvan de naam van de ketters zou zijn afgeleid. Het was toen immers de
gewoonte dat ketterijen genoemd werden naar hun stichter: manicheïsme was
afgeleid van Mani, arianisme van Arius, enz. Wanneer men dan een ketterse
beweging van “bogomilen” ontmoette, was het niet verwonderlijk dat men
veronderstelde dat de naam afgeleid was van de eerste ketter van de sekte:
Bogomil.
Bogomil werd vaak geassocieerd met
de Bulgaarse priester Jeremiah. Jeremiah leefde in de tiende eeuw in Bulgarije
en was de compilator van apocriefe geschriften. Zijn werk werd snel veroordeeld
als ketters. In de Slavische Index van verboden boeken werden verschillende
ketterse werken aan hem toegeschreven. Toen hij in een document uit de
zeventiende eeuw “niet geliefd door God” werd genoemd, zoals Bogomil door Cosmas
werd aangeduid, werd door onderzoekers aangenomen dat Jeremiah en Bogomil één en
dezelfde persoon waren. Men ging ervan uit dat zijn oorspronkelijke naam
Jeremiah was, maar dat hij de naam Bogomil aannam toen hij de leider werd van
een Bulgaarse ketterij, naar het voorbeeld van de pauliciaanse leiders, die ook
een andere naam aannamen. Later vond men echter bronnen waarin Jeremiah
uitdrukkelijk vermeld werd als leerling van Bogomil. Bogomil en Jeremiah waren
dus twee verschillende personen. Het is niet eens zeker dat Jeremiah wel een
aanhanger van het bogomilisme was. Zijn geschriften zijn vooral oude apocriefe
legendes en bevatten soms kenmerken, die ingaan tegen de doctrines van de
bogomilen. Zijn werken kunnen wel gebruikt zijn door de bogomilen, die wel
vaker steunden op apocriefe geschriften, die door de orthodoxe Kerk niet
gesanctioneerd werden.
We kunnen dus niets met zekerheid
zeggen over de identiteit van Bogomil. De enige concrete aanwijzing is wat
Cosmas over hem zegt en dat is bijzonder weinig. Dit staat in schril contrast
tot de vele bladzijden die historici aan deze figuur gewijd hebben. Zij moeten
zich echter noodgedwongen beperken tot speculatie. Ook wij moeten het bij deze
bedenkingen laten.
Voor een volledige geschiedenis van het Eerste Bulgaarse Rijk, zie RUNCIMAN,
A history of the first Bulgarian empire.
Geschiedenis van Bulgarije, p. 34-36.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 22-43.
VLASTO, The entry of the Slavs into Christendom,
p. 155-156.
NIKOLOV, “The pagan Bulgars and Byzantine Christianity in the eight and
ninth centuries”, Journal of Historical
Sociology 33:3 (2000), p. 341-343 en p. 325-326.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 59-62.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 68-69.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 99-130.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 72.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 99-105.
Voor verdere informatie over deze problematiek, zie SOULIS, “The legacy of
Cyril and Methodius to the Southern Slavs”, in:
Dumbarton Oaks Papers 19 (1965), p. 21-43.
VLASTO, The entry of the Slavs into Christendom,
p. 28-47.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 99-105.
NICOLAAS I, paus. Responsa ad Consulta
Bulgarorum. P.L. 119, 17,
col. 988.
NICOLAAS I, paus. Responsa ad Consulta
Bulgarorum, vert. Internet Medieval
Sourcebook, W.L. North, Responsa 106.
RUNCIMAN, The history of the first Bulgarian
empire, p. 121-122 en VLASTO, The
entry of the Slavs into Christendom, p. 312-314.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 76-84.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 123-130;
Geschiedenis van Bulgarije, p. 51.
RUNCIMAN, A history of the first Bulgarian
empire, p. 133-136.
PETRUS SICILUS, Historia Manichaeorum, qui
Pauliciani dicuntur, ed. en vert. Astruc, C; Papachryssantou,
D.; Gouillard, J. e.a., «Les sources grecques pour l’histoire des
Pauliciens d’Asie Mineure», in: Travaux et
Mémoires 4 (1970), p. 6-67.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 93.
HAMILTON, Christian Dualist Heresies in the
Byzantine world c.650-c.1405, p. 31. Zie
ook hoofdstuk 5.
SOULIS, “The legacy of Cyril and Methodius to the Southern Slavs”, in:
Dumbarton Oaks Papers 19 (1965), p.
24-26 en p. 31-38.
Geschiedenis van Bulgarije, p. 51-57.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 91-93.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 95.
HAMILTON, Christian Dualist Heresies in the
Byzantine world c.650-c.1405.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 96-97.
Geschiedenis van Bulgarije, p. 82-84.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 110.
THEOPHYLACTOS LECAPENOS, Epistola,
vert. Hamilton, Christian Dualist Heresies in
the Byzantine world c.650-c.1405, p. 98-102.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 114-115.
THEOPHYLACTOS LECAPENOS, Epistola,
vert. Hamilton, Christian Dualist Heresies in
the Byzantine world c.650-c.1405, p. 101-102.
OBOLENSKY, The Bogomils, p. 114-115.
Geschiedenis van Bulgarije, p. 61-64.
COSMAS, Slovo, ed.
Peuch, H.C. en Vaillant, A. Le
traité contre les Bogomiles de Cosmas le prêtre, Parijs, 1948.
PEUCH-VAILLANT, Le traité contre les Bogomiles
de Cosmas le prêtre, p. 74.
HAMILTON, Christian Dualist Heresies in the
Byzantine world, c.650-c.1405, p. 29-31.
OBOLENSKY,
The Bogomils, p. 126.
LOOS,
Dualist Heresy in the Middle Ages, p.
59.
HAMILTON,
Christian Dualist Heresies in the Byzantine world,
c.650-c.1405, p. 29-31.
HAMILTON,
Christian Dualist Heresies in the Byzantine world,
c.650-c.1405, p. 29-31.
PEUCH-VAILLANT,
Le traité contre les Bogomiles de Cosmas le prêtre,
p. 93.
OBOLENSKY,
The Bogomils, p. 129.
ANGELOV,
Les Balkans au moyen âge, III: Le mouvement
bogomile dans les pays slaves balkaniques et dans Byzance, p.
608.
PEUCH-VAILLANT,
Le traité contre les Bogomiles de Cosmas le prêtre,
p. 101 en 104.
OBOLENSKY,
The Bogomils, p. 139.
Er is hier één
uitzondering op: het Synodicon van de Orthodoxie. Zie hoofdstuk IV.
DANDO,
«Peut-on avancer de 240 ans la date de composition du traité de Cosmas le
prêtre contre les Bogomiles?», in: Cahiers d’études cathares 101 (1984), p. 15-19.
OBOLENSKY,
The Bogomils, p. 271-274.